De mens is wat hij van zichzelf maakt

5 juni 2004 at 10:03 pm (Het verhaal) (, , , , , , , )

Schoorvoetend stapte ze op hem af. Ze probeerde zo gewoon mogelijk te klinken terwijl ze hem vroeg hoe het met hem was. Hij leek verbaasd te zijn haar te zien. “Eh, zijn gangetje,” zei hij terwijl hij een andere kant op keek. Iemand riep hem. Hij keek haar verward aan: “Hoe is het met jou?” Een vraag die hij meer stelde uit beleefdheid dan uit belangstelling.
“Goed”, loog ze, “Ik vind je boek erg goed, was het moeilijk om een uitgever te vinden?”
Hij luisterde niet eens naar haar. Zijn aandacht was gevestigd op een aantal vrouwen die verderop klaar stonden om te vertrekken. Terwijl hij zich omdraaide met de intentie zich bij het groepje vrouwen te voegen, mompelde hij nog iets van “sorry, ik moet weg.”
Ze bleef staan. Keek toe hoe hij opging in het groepje en zich van haar verwijderde. In haar ontstond een onrust. Ze wilde hem achterna rennen. Ze wilde antwoorden op de vragen. Ze wankelde, zocht houvast en liet zich vallen op een bankje. Hoe kon hij zeggen dat zijn leven zijn gangetje ging. Haar leven stond op zijn kop. Het was alsof zij niets voor hem had betekend. Gewoon een toevallige passant, niets indrukwekkends.

Haar leven was tot een puinhoop geworden. Niets was meer hetzelfde. Haar hoofd bonkte vol vragen zonder antwoorden: “Waar ben ik de fout ingegaan? Waarom ben ik geen deel meer van hem?” Ze probeerde zich te concentreren op de mensen om haar heen. Ze moest niet denken. Dat maakte de chaos alleen maar groter. Het bleef dreunen: “Waarom is er hier, in mijn wereld, niets dat op liefde lijkt. Ik heb geen zin meer om te leven. Zonder hem. En toch komt er dag na dag. Buiten draait de wereld door. Alles wordt herboren. Maar ik, ik sta stil in dit leven…”
Ze moest weg van hier. Haar ogen brandden. Ze wilde niet dat iemand zou vragen of zich niet goed voelde. In een koorstige tempo zocht ze naar de uitgang. Ze moest ergens zijn waar niemand haar zag. Waar niemand haar tranen zou zien. Ze haastte zich naar haar auto. Misschien dat het rijden haar zou afkoelen. Haar gedachten dramden moordend door. Alsof hij naast haar zat, schreeuwde ze van woede: “Zie je dan niet hoe moeilijk het is. Ik probeer en probeer. Maar ik kan niet voldoen aan jouw eisen. Niets lukt. Ik draai rondjes om mezelf. Ik kom niet dichter bij jou. Je bent zo extreem kritisch. Al mijn pogingen om jou te amuseren belanden in het niets. Ik ben nooit goed genoeg voor jou. Wat ik ook verander. Als je me zou zien, zou je op mij neer kijken. Ik wil noch je medelijden noch je compassie. Ik wil je bewondering. En nee, ik wil niet horen dat het zijn gangetje gaat. Ik wil niet leven terwijl jij niet aan mij denkt.”
Ze moest deze gedachtenstroom stoppen. Het zou haar ondergang kunnen worden. Ze moest positief proberen te denken. Zich concentreren op de leuke dingen in het leven. Ze besloot om naar een strand aan de zuidkant van het eiland te gaan. Een vriendelijke parelwitte leegte versierd met hier en daar een groene palmtak. Door zonnige reisgidsen aangemerkt als het paradijs op aarde. Daar zou ze kunnen genieten. Daar kon ze één zijn met de uitgestrekte zee die liefkozend het strand zou strelen met haar witte golven. Zo zacht en lieflijk, een troost voor haar pijn. Daar zou ze met haar blote voeten in het gastvrije zand de rust vinden voor de chaos in haar hoofd.
Op de parkeerplaats stond één auto. Dankbaar omdat er niet veel mensen zouden zijn, stapte ze uit. Ze had geen behoefte aan blikken van anderen. Ze wilde alleen zijn en onzichtbaar. Haar oog viel op de inzittenden van de geparkeerde auto. Een verliefd stelletje innig in elkaar verstrengeld – twee mensen als één massa, wiens droom ze blijkbaar ernstig verstoorde. Als door een bij gestoken doken ze weg. Bang om betrapt te worden. Ze probeerde het niet te zien. Het was al te laat. Het gevoel drong tot haar door niet welkom te zijn. Niemand wenste haar aanwezigheid hier. Het stelletje wenste nu vast en zeker dat zij, de eeuwige indringer, snel weer zou verdwijnen alsof ze er nooit was geweest. Niemand wilde haar. Ze besloot het stelletje hun pleziertje te gunnen. Dat haar leven een puinhoop was, wilde niet zeggen dat ze de droom van anderen moest verwoesten. Ze liep terug naar haar auto. Verderop was nog een strand. Daar zou ze vast alleen zijn. En welkom.
Op deze parkeerplaats stonden geen auto’s. Er was nergens een teken van leven te ontdekken. De leegte lachte haar toe. Ze trok haar schoenen uit. Ze moest het warme zand onder haar voeten voelen. De brandende zon op haar hoofd. Ze wilde zich verbonden voelen met de aarde en de zee. Langzaam liep ze naar de waterlijn. Het groenblauw van het kristalheldere zeewater dat in de verte overging in rustgevend donkerblauw. Ze probeerde te genieten van elke stap die ze nam. Of ze zo de controle over haar leven weer kon nemen.

Aangekomen bij het water tuurde ze over de oneindige watervlakte naar de horizon. Vervolgens bestudeerde ze haar voetstappen in het natte zand. Ze stonden daar. Afgedrukt. Concreet aanwezig. De zee kwam en nam steeds een beetje. Vervaagde steeds meer haar voetstap. Tot er niets meer over was van de indruk die ze had gemaakt. Ze keek doelloos toe. “Is dit mijn leven?” vroeg ze zich af. “Zo zinloos. Een paar strelingen van de zee en er is niets meer van mij over. Ik maak geen indruk. Alles wat ik doe vervaagt voor het wordt opgemerkt. Ik ben nietig. Ik ben een schaduw van mijn beloftes en mijn dromen. En toch voel ik een pijn die groter is dan mijn bestaan. Mijn tranen kunnen niet uitwissen wat de zee zo gemakkelijk doet” Het bleef maar malen in haar hoofd. “Als ik doodga, weet niemand dat ik ooit heb bestaan.” Haar gedachten maakten haar krankzinnig. Ze kon hier niet meer zijn. Ze was niet welkom op deze wereld. Wat had haar leven voor zin? Vanaf dat ze een klein meisje was, had ze zich buitengesloten gevoeld. Op school was ze het buitenbeentje, altijd gepest. Dat had haar razend gemaakt en vastbesloten. Ze had zich voorgenomen om de beste te worden zodat iedereen rekening met haar zou houden. Iedereen zou bewondering voor haar hebben. Er zou een dag komen dat iedereen zou weten dat er geen betere was dan zij. Ze werkte en studeerde met een enorme passie om haar doel te bereiken. Ze had haar uiterste best gedaan en elke keer als dat niet genoeg bleek, had ze haar inzet verdubbeld. Het was niet eenvoudig. Vaak liep ze op haar tenen om maar te kunnen slagen. Op school hadden ze haar een streber genoemd omdat ze nooit tevreden was met een negen. Alleen het hoogst haalbare was haar doel. Nooit was ze goed genoeg, dus werkte ze harder en harder. Ze geloofde dat er eens resultaat zou komen van haar inzet. Maar elke keer bleek dat iedereen beter en meer bijzonder was dan zij. Hoe ze ook vocht en worstelde, het had geen zin. Ze vocht voor erkenning voor wie ze was en wat ze kon. Maar elke keer weer werd ze afgewezen. Wat ze ook deed, ze maakte geen indruk. Nu stond ze hier en wilde ze niet meer vechten. Ze was het strijden moe. Bii elke stap, die ze nam om dichter bij haar doel te komen, werd ze twee stappen teruggeduwd. Haar leven had blijkbaar geen enkele nut. Ze schrok van haar gedachten. Ze probeerde hen weg te duwen. Ze rende terug naar haar auto. Ze moest niet hier zijn. Ze wilde naar de Noordkant van het eiland. Daar waar de zee hard tegen de rotsen sloeg. Misschien dat de oerkracht van het water haar zou reinigen van deze negatieve gedachten.

Ze drukte haar gaspedaal zover mogelijk. Met hoge snelheid vloog ze over de weg. Het gaf haar een goed gevoel. Alsof ze door zo hard mogelijk te rijden weg kon vluchten van haar gedachten. Ze voelde zich rusteloos. Ze zette de muziek hard om de stilte die haar deed denken te overschreeuwen. Een poging om haar gedachten te verjagen. Ze zong hard mee met de tekst van het liedje.
Aangekomen bij de Noordkant parkeerde ze bruusk haar auto en rende over de grove rotspuntige koraalgrond naar het eind van de wereld. Ze keek naar beneden. Naar het schuimende water dat zich met kracht fataal tegen de rotsen wierp. Eén stap verwijderd. Nu, als ze zou springen, was er niets meer. Als haar bestaan zo zinloos was kon ze er beter gelijk een eind aan maken. Het had geen zin om een heel leven te vechten voor niets. Ze verlangde naar een einde aan de pijn van het afstand doen, het afgescheiden zijn. Nooit één kunnen voelen. Nooit tevreden te zijn met wie ze was en wat ze kon. Ze voelde zich geamputeerd. Ergens was ze een deel van haarzelf kwijtgeraakt. Ze kon en wilde niet meer leven. Ze wilde zich weer compleet voelen. Niet langer woelen in deze eeuwigdurende strijd. Ze verheugde zich om bevrijd te zijn van haar zwarte pijn. Om bevrijd te zijn van wie ze was. Eén stap maar. Haar tranen begonnen te stromen. Ze wilde niet langer leven. Niet dit leven. Waarin ze steeds weer als een kat haar wonden moest likken. Haar rug moesten rechten om te bedanken voor de wijze lessen. Voor alles wat ze had geleerd. Er leek geen einde aan te komen. De lessen leidden haar tot niets. Ze had geleerd wat het was om te haten. Ze had geleerd wat het was om pijn te voelen. Ze hief haar hoofd naar de hemel en schreeuwde wanhopig, zo hard als ze kon: “God, als je bestaat, zeg me, wanneer komt hier een eind aan? Ik wil dit niet meer voelen, Ik wil hier niet meer zijn. Ik kan het niet meer aan. Was ik maar weer een kind. Onbezonnen en onschuldig.” Eén stap verwijderd. Niemand zou haar missen. Haar leven was zinloos.

Ze keek nog eens over de rand naar het kolkend water. Haar tranen smaakten zout als het water dat tegen de rotsen explodeerde. Ze voelde de wind aan haar kleding trekken alsof hij haar het laatste duwtje wilde geven. “Kom op, je kunt het. Spring, de verlossing is nabij!” Eén stap verwijderd van een nieuw leven. Ze keek naar de golven. Hoe ze, nadat ze de rotsen een flink pak slaag hadden gegeven, hun weg terug zochten om vol trots de aankomende golven hoog in de lucht te slaan. Als een daad van triomf. De golven spoelden onophoudelijk aan. Er was geen pauze in hun beweging. Net als haar verdriet. Elke keer dompelde ze zich weer onder. Ze was niet geboren voor een simpel leven. Ze ging door de diepste dalen. Het was voor haar de enige weg om de top te bereiken. Altijd kiezend voor de weg die onmogelijk leek. Het maakte haar leven spannend. Een ware uitdaging. Maar nu was het genoeg. Ze wilde niet meer. De ontberingen waren te zwaar voor het eenvoudige doel dat ze nastreefde. Ze wist niet eens meer wat haar doel was. Niets was meer belangrijk. Alleen die enkele stap vooruit. Ze zou aan stukken slaan tegen de rotsen gelijk de golven. Haar lichaam zou zo ernstig verwond raken dat de dood vanzelf zou volgen. Toch? Zou ze pijn voelen? De rotsen zagen er scherp uit. Hoe vaak zou haar lichaam tegen de rotsen moeten slaan om levenloos te worden? Zou ze bij de eerste klap buiten bewustzijn raken? Of zou ze voelen hoe haar botten zouden breken? Bot voor bot als lucifershoutjes knappend? Zou de fysieke pijn erger zijn dan de pijn die ze nu voelde? Zou de donkere woeste zee rood kleuren van het bloed dat uit haar lichaam zou stromen om te vermengen met het zilte zeewater. Ze keek naar de enorme hoeveelheid water dat onder haar tegen de rotsen sloeg. Hoe arrogant om te denken dat de kleur van haar bloed een indruk zou nalaten in deze immense watermassa. Ze zou geen indruk nalaten. Niet in het zand en niet in het water. Haar lichaam zou niet meer functioneren. Het zou levenloos gevonden worden. Misschien kwam er nog een berichtje in de krant. Als ze geluk had. Maar buiten haar lichaam, wat bleef er dan nog van haar over? Wat gebeurde er met haar geest, haar gedachten. Als ze de bodemloze diepte ingetrokken werd, omringd door – en gevangen in het zwarte water, wat zou ze denken? Wat zou er in haar laatste seconden gebeuren? Zou ze spijt krijgen van die ene stap die alles onomkeerbaar maakte? Het idee om geen adem meer te kunnen halen, deed haar snakken naar lucht. Haar longen zouden vollopen met water. Zoutwater, waar ze als kind al een hekel aan had. Ze dacht aan de keer dat ze tijdens een vakantie in de grijze zee aan het duiken was in de woeste golven. Een spelletje waar ze volop van genoot en in haar eentje eindeloos kon spelen. Tot de onderstroom haar naar beneden trok. Het was zo sterk. Hoe hard ze ook vocht tegen de sterke stroming, het lukte haar niet om boven te komen. Ze had geworsteld voor haar leven. De rillingen liepen nog over haar rug toen ze dacht aan de angst die ze toen had gevoeld om te sterven. Al haar kracht had ze gebruikt om weer grond onder haar voeten te krijgen. Godzijdank was er een man geweest, een toevallige passant, die haar aan haar arm weer naar boven had getrokken, zodat ze weer op haar beide benen stond. Buiten adem. Opgelucht. Nooit had ze daarna nog in de golven gedoken.
Nu was ze één stap verwijderd van de dood en weerhield de angst voor de dood haar die ene stap te nemen. Verschrikt zette ze een stap terug. Ze dacht aan haar leven. Zo erg was het ook weer niet. Bewust zette ze nog een stap terug. Nu was drie stappen verwijderd van de dood. Ze zakte op haar knieën. Opeens dankbaar voor het leven dat ze had. Nu koos ze bewust voor het leven. Om te mogen leven. Ze was ermee opgescheept en moest er maar iets moois van maken. De keuze lag bij haar. Ze moest denken aan het existentialisme van Satre: “De mens ís wat hij van zichzelf maakt.”
Opeens begreep ze wat hij daarmee bedoelde.

© Koningin der Decadentie

Permalink Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 55 other followers