De afwijzing

13 oktober 2002 at 9:59 pm (Het verhaal) (, , , , , , , , , )

“Ik had meer van je verwacht. Je bent nogal tegengevallen.”

Ze tuurde naar het stoplicht dat eeuwig op rood leek te staan. Hoe kon hij zoiets zeggen? Uitgerekend hij, die haar begreep. Nog nooit had ze iemand ontmoet die op zo’n diepe wijze tot haar doordrong als hij. In hem dacht ze haar tweelingziel gevonden te hebben. Hoe vaak had ze de verhalen gelezen over tweelingzielen. Over hoe de Ziel door Zeus gesplitst was in een mannelijk en een vrouwelijk deel, omdat de Ziel de dualiteit wilde leren door de uitersten te ervaren.
De tegengestelde helft van haar had, net als zij, rondgedoold op deze aarde op zoek naar haar om hun gezamelijke ziel weer compleet te maken. Toen ze hem ontmoette wist ze het zeker. Hij was haar tweelingziel. Haar ware sprituele partner. Hadden zij zich niet verwonderd over de liefde, de vriendschap en de intimiteit tussen hen? Ze wilden zo graag bij elkaar zijn, ondanks alles. Ze hadden gezegd hun hele leven bij elkaar te blijven. Het verlangen naar elkaar was zo sterk. Het was niet alleen het verlangen naar een lichamelijk samenzijn maar veel meer dan dat. Ze smachtten naar elkaars aanwezigheid vanuit iets dat ver boven het lichaam en de geest uitsteeg. Hun liefde was op zielsniveau. Ze wilden bij elkaar zijn, niet om de lichamelijke aanwezigheid, niet om de grapjes of de wijze woorden die zij te zeggen hadden, maar gewoon omdat ze wisten dat ze daar simpelweg hoorden te zijn. Aan elkaars zijde. Samen wachtend op de vraag van Zeus. Zeus zou hen vragen of zij eeuwig in elkaars aanwezigheid wilden zijn om weer tot één versmolten te worden. Hun dood zou hen niet scheiden, mar hen juist voor eeuwig samen brengen. De liefde tussen hen was een verlangen en een streven naar heelheid. Hun verwachtingen zouden leiden naar vervoering van hun ziel. Ze was er zo zeker van. Maar nu overkwam haar dit. Ze was afgewezen door haar tweelingziel. Zotter kon niet.

Ze keek naar de auto’s aan de overkant van het kruispunt. Daar had ze ook gestaan. Nog geen half uur geleden. Ongeduldig wachtend tot het stoplicht weer op groen zou springen. Om het gaspedaal vol in te drukken en met hoge snelheid naar hem te rijden. Haar leven was tot de rand gevuld geweest met geluk. De wereld had haar toe geschitterd. Ze had zich er zo op verheugd om de man weer te zien met wie zij zo’n intense passionele relatie had dat ze soms duizelig werd van hun geluk. Een man die veel meer deed dan haar aan het lachen te maken. Met volle teugen genoot ze van zijn aandacht. De wijze waarop hij haar kon aankijken en de woorden die hij tegen haar kon zeggen. Niet veel, maar de juiste. Ze had zich nog nooit zo heerlijk op haar gemak gevoeld bij een man. Ze waren voorbestemd om samen te zijn. Daar was ze overtuigd van geweest. Voor haar was het zo duidelijk. Ze waren hetzelfde en toch tegengesteld. Ze was het beste dat hij kon krijgen. Hij het beste wat zij wilde. Er was geen twijfel mogelijk dat een relatie tussen hen niet zou lukken. Het zou een sprookjeshuwelijk zijn. Met een “ze leefden nog lang en gelukkig eind”.

Maar dat was een half uur geleden, toen ze nog aan de andere kant van de kruising stond. Het zicht op de auto’s aan de overkant vertroebelde. Ze voelde tranen. Hoe kon hij zoiets zeggen. Ze dacht aan het gesprek. Het moment dat hij het had gezegd. “Ik had meer van je verwacht. Je bent nogal tegengevallen.” Het dreunde door hoofd. Haar wereld was totaal ingestort. Compleet onverwachts. Er was toch niets geweest wat haar had moeten waarschuwen? Of had ze alle voortekens gemist in haar roes van waanzinnig verliefdheid?
Alles veranderde op het moment dat hij zijn woorden uitsprak. Zijn woorden, zo simpel, waren messcherp. Ze had moeite moeten doen om zich te beheersen. Ze wilde niet dat hij zou zien dat ze levensgevaarlijk gewond was geraakt. Ze had haar trots. Terwijl hij zijn monoloog had voorgezet en duizend-en-één redenen had gegeven waarom het nooit iets zou worden tussen hen, had ze een steeds sterker wordende drang in haar gevoeld. Ze had als een helse furie op willen staan en hem willen aanvallen. Ze had hem willen vernietigen. Ze had gewild dat hij was opgehouden met zijn rationele gezwam. Er was er maar één de ware voor hem en dat was zij. Hij zou nooit zonder haar kunnen leven. Hij hield meer van haar dan dat hij van zichzelf hield. Ze had zijn woorden niet langer willen horen. Ze had gewild dat hij haar weer in zijn armen nam en zachte lieve woordjes zei zoals hij voorheen had gedaan. Gisteren.
Zijn woorden waren onverwachts gekomen. Ze begreep hen niet. Hij, nee, hij zou haar nooit afwijzen. Er was een verbond tussen hen. Hij hield van haar. Als twee mensen van elkaar houden, horen ze samen. Dat is de Waarheid. Dit was onmogelijk. Ze voelde zich onttroond. Ze was niet langer meer zijn koningin. Hij zou haar gaan missen alsof hij een stuk van zichzelf had weggegeven. Vast en zeker.
Braaf was ze blijven zitten en had ze stil geluisterd naar wat hij te zeggen had. Ze had er niets tegen ingebracht. Stil had ze zichzelf moed ingepraat. Het is één van zijn harde grapjes. Hij meent het niet echt. Het komt goed. Ze had vaker in deze positie gestaan. Had ze het niet altijd gered. Ze zou beter haar best doen. Hij zou haar vast een tweede kans geven. Hij zou spijt krijgen van zijn beslissing. Zij kon alles. Met haar enorm sterke wilskracht slaagde ze er altijd in om weer boven te komen. Ze was een strijder. Het zou haar ook dit keer lukken. Nee, ze mocht geen emoties tonen. Dat zou enkel een teken van zwakte zijn. Dus had ze beleefd geglimlacht.

Het gesprek was snel tot een einde gekomen. Ze had haar evenwicht weer gevonden. En toen hij haar uitliet had ze hem nog vriendelijk succes gewenst. Er was niets verloren. Hij zou haar wel weer bellen. Morgen misschien. Ze moest geduld hebben. Het kwam zeker goed.
Achter haar begonnen de auto’s te toeteren.

© Koningin der Decadentie

Permalink Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 55 other followers