Zelfdestructief

11 december 2009 at 11:59 am (Het verhaal) (, , , , , )

Ze had die nacht gedroomd: Ze liep samen met hem over een weg. Een rechte weg over een dijk met groen gras aan de zijkanten. Zij liep aan de bermkant. Hij zweeg en stapte met een behoorlijk tempo door. Ze deed haar best om hem bij te houden. Elke keer kwam hij dichter bij haar lopen, waardoor hij haar bijna de weg afduwde. Ze moest moeite doen om op de weg te blijven en niet van de groene helling af te rollen. Ze moest elke keer een stap achteruit zetten als hij haar de pas afsneed. Maar dan maakte hij ruimte zodat ze weer naast hem kon lopen. Totdat ze er genoeg van had en aan de andere kant van hem ging lopen. Hij zei niets maar gaf opeens haar zware tas met boeken terug, die hij droeg.

Ze stond voor dezelfde zee als ze jaren geleden had gestaan, toen ze vastbesloten was een eind aan haar leven te maken. Een eind aan haar pijn. Ze observeerde de zee en haar golven. De manier waarop de zee zich onophoudelijk met immense kracht op de scherpe donkere rotsen wierp. Steeds weer. Het proberen om een relatie met hem te hebben was alsof ze in die zee lag. Elke keer bracht hij haar op zijn golven tot grote hoogten om haar vervolgens keihard op de rotsen te werpen. En om haar daarna weer op te nemen in zijn armen. Elke keer raakte ze dieper gewond. Het was zelfdestructief. Net als de zee had hij geen notie van haar bestaan en haar pijn. Het maakte hem niet uit of zij in zijn leven was. Hij gaf niets om haar. Dat werd bij elke golfslag duidelijker.

Ze dacht aan haar droom die haar eigenlijk hetzelfde vertelde. Bij hem kon ze nooit zijn wie ze wilde zijn. Hij zou haar altijd de pas afsnijden om haar vervolgens weer ruimte te geven. Het was een spelletje dat steeds weer opnieuw werd gespeeld. Zonder einde. Ze wilde uit die zee. Ze wilde weg van hem. Weg van haar eigen drang tot zelfdestructie.

In haar een groeide het verlangen naar een man die haar bewonderde, die om haar gaf, die lief was voor haar. Die haar toonde dat hij zich bewust was van haar bestaan.

© Koningin der Decadentie

Permalink Geef een reactie

De spin

12 januari 2008 at 11:00 am (Overpeinzingen) (, , , , , , , )

Ze bekeek de spin die over de muur liep. De oermoeder in de rol van weefster, die het lot weeft vanuit haar eigen lichaam. Het symbool voor de oneindige mogelijkheden van de schepping. Een schrijver is als een spin die met haar draden een web weeft waarin zij haar prooi gevangen neemt om hem te consumeren, bedacht ze. Zo maakt de schrijver een boek met zijn woorden waarin hij zijn prooi, de werkelijkheid, gevangen neemt om deze te consumeren. Beiden gebruiken hun prooi om zelf te kunnen groeien, om er beter van te worden.
Ze observeerde de spin die bezig was een miniscuul vliegje in haar web te weven. Zo voelde zij zich gevangen in zijn web. Hij had haar in zijn macht. Er waren dagen dat ze doelloos rond reed in de ijdele hoop een glimp van hem op te vangen. Ze wenste zo vurig zijn verschijning te zien dat het haar onrustig maakte. Maar elke keer als ze een auto zag van hetzelfde merk als hij bezat, kromp ze inéén. De angst sloeg toe dat het zijn auto zou zijn en dat hij haar zou zien. Ze wilde niet dat hij naar haar keek. Ze wilde niet bekeken worden omdat ze intens bang was voor zijn kritiek.
Hij zou denken dat haar beeld hem niet aanstond. Als ze maar het vermoeden had dat hij in haar buurt was dook ze weg in de anominiteit, waar zich veilig voelde. En toch stak het haar. Het vermoeden dat zij onzichtbaar was voor hem maakte haar woedend. Haar gevoelens waren in een eeuwige strijd. Ze wilde dat hij haar bewonderde, dat hij haar eeuwig aanbad. Maar als hij een poging ondernam om haar richting op te kijken raakte ze in paniek en vluchtte ze in het niets.
Ze wilde hem spreken en tegelijkertijd ook weer niet.
Ze wilde hem doorgronden. Ze wilde weten wat hij dacht. Het liefste wilde ze zijn gedachten beheersen.
Of was zij de spin? Misschien was dat haar reden om schrijver te worden zodat ze de werkelijkheid naar haar eigen hand kon zetten. Nu sloot ze zich op in een huis, verstopte zich voor de buitenwereld. De buitenwereld deed haar pijn. Die buitenwereld bracht haar binnenwereld in verwarring. In haar binnenwereld snakte ze naar rust en stabiliteit, maar elke keer drong de werkelijkheid weer bij haar binnen. Zoals hij steeds weer deed. Haar binnenwereld was bestemd om veilig en verborgen te zijn. Hermetisch afgesloten van de boze buitenwereld. Bewapend met een hart van beton en bestand tegen elke aanval van buitenaf, zodat het onmogelijk was om de stilte der dingen te doorbreken. Tot hij was gekomen. Met niets meer dan een onschuldige glimlach. Het was of alles begon te leven. Alles kreeg kleur. Ze had zich gelukkig gevoeld. Heel even had ze het niet erg gevonden dat de buitenwereld binnen was gekomen. Maar hij doorkruiste haar domein en liet haar achter met de puinhopen van complete verwarring. Chaos regeerde sindsdien. Ze dacht aan de vergankelijkheid van liefde. Dat Tijd alle wonden zou helen. Het zou jaren duren tot hersteld was wat hij in een paar seconden had verwoest. En toch, wat ze wenste was enkel weer te zien, zijn glimlach. Dat maakte haar woedend.
”Mijn God, dacht ze opeens, “Ik leef in een wereld die niet werkelijk bestaat. Ik heb hem zelf verzonnen.” Het gevaar loerde. Ze raakte gevangen in haar eigen web van illusies. Ze wist niet eens meer wat echt was en wat nep. Welke herinneringen ze had gemaakt en wat had er in werkelijkheid plaatsgevonden. De grens tussen fantasie en werkelijkheid was opgelost.

Ze had zichzelf wijs gemaakt dat hij gecharmeerd van haar was, omdat ze zich op de achtergrond hield. Ze viel hem niet lastig zoals andere vrouwen. Daarom wilde hij haar aandacht. Hij had haar afgewezen omdat hij het niet kon hebben dat zij niet spontaan haar liefde betuigde. Hij verlangde dat ze openlijk koos voor hem. Hij had zich laten leiden door de verhalen van anderen en wees haar af door te zeggen dat ze tegen was gevallen. Ze dacht dat hij stiekem had gehoopt dat ze dan wel haar liefde zou tonen. Dat ze zich aan zijn voeten zou werpen. Maar ze had niets gezegd. Ze was opgestaan en uit zijn leven gelopen. Een koningin laat zich niet kennen.

De lucht was lichtblauw behangen met zachtblauwepaarse wolken. De zon, nog niet klaar voor de dag, belichtte de wolken van achter de horizon en gaf hen een feestelijk goud randje cadeau. Weldra zou de zon de dag beginnen.

© Koningin der Decadentie

Permalink Geef een reactie

Haat

7 augustus 2007 at 7:59 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , )

Terwijl ze de kibbelende vogeltjes op het terras bestudeerde, dacht ze aan de keer dat hij haar had afgewezen. Hoe durfde hij haar dramatisch en kinderlijk te noemen. Hij was degene vol drama en een klein kind. Niet zij. Haar gedachten begonnen te razen: “Als hij zou weten wat ik voor hem heb gedaan. Hoe ik mijn hart uit mijn lichaam rukte om mijn boosheid niet te tonen. Hoe ik mijn bittere tranen verborg in een poel van zwart verdriet waarin ik het liefst had willen verdrinken, maar ik bleef zwemmen. Hoe ik het intense verlangen in mezelf hield om hem niet lastig te vallen met mijn passionele liefdesbetuigingen. Dat alles deed ik alleen maar zodat hij zich zelfverzekerd zou voelen in mijn aanwezigheid. Inmiddels weet ik dat zou ik in zijn nabijheid schreeuwen, in woede uitbarsten of hysterisch huilen. Het zou hem niets uitmaken. Hij is zo ingenomen met zichzelf dat hij niet begrijpt wat het inhoudt om deze gevoelens te hebben. Hij is zo ijdel. Hij weet niet wat het is om weg te zinken in de dramatische ellende die hij zelf geschapen zou hebben.
Hij hoeft me niet te redden. Ik heb zijn uitgestoken hand niet nodig. Dit keer red ik mezelf wel!”
Haar boosheid voelde zinloos aan. Hoe vaak had ze dat al bedacht. Elke keer als ze in radeloze woede de grond onder haar goed had aangestampt zodat het een solide basis zou vormen voor haar ego, kwam ze hem weer tegen en verwijderde hij zonder enige moeite de aarde onder haar voeten. Ze zonk steeds dieper en dieper. Een eindeloos verhaal. Een bodemloos moeras. Het is onmogelijk om liefde te voelen voor een man die enkel oog heeft voor zijn eigen spiegelbeeld. Ze haatte hem. Ze haatte hem zo intens.
Dat had ze hem toen moeten zeggen.

“Nee”, bedacht ze zich, “er is een reden waarom ik hem heb ontmoet.” Zou het echt zijn dat hij haar tweelingziel was? Dat zij, voor zij in de stof waren wedergekeerd, elkaar beloofd hadden om elkaar te prikkelen zodat zij zich bewust zouden worden van het Leven en dat zij zouden leren wat het is om iemand onvoorwaardelijk lief te hebben? Dat zij oprecht zouden kunnen zeggen dat zij van elkaar hielden ook als zij dachten dat het niet zo was? Dat zij van elkaar hielden ondanks alles? Waarom toonde hij dan nooit zijn gevoelens?
Al haar voornemens om hem onvoorwaardelijk lief te hebben, vielen in het niets. Ze kon niet zijn wat zij had beloofd. Op aarde golden blijkbaar andere wetten, regels en beperkingen. Ze kon niet onvoorwaardelijk liefhebben. Hem steunen zonder enige voorwaarden. Nu het moment was gekomen om tot een verzoening te komen, kon ze niet de stap maken. Ze zat vast in haar werkelijkheid. Gevangen in haar eigen ideeën. Ze wilde niet losbreken. Hoe groot de beloning ook zou zijn. Ze kon het niet. Het was makkelijker om hem te haten.

© Koningin der Decadentie

Permalink Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 55 other followers