Voorwoord
Dit verhaal is een samenvatting van alle dingen die ik dacht, maar nooit zei. Ik geloofde dat zolang ik de woorden in mij verstopte, zij geen werkelijkheid zouden zijn. Ik hield me in om de lieve vrede te bewaren. Omdat ik jou niet wilde kwetsen. En, geloof me, dat is nog steeds niet mijn doel.
Maar er is iets veranderd. Ik wil niet langer voldoen aan jouw verwachtingen. Ik kies voor mezelf. Dit is wie ik ben. Dit zijn mijn woorden. Ik heb geen intentie meer om hen in mij te houden. Neem ze tot je en besef dat zij de bron zijn van mijn bestaan.
Ik neem geen enkele verantwoordelijkheid meer. Ik heb je gewaarschuwd. Aan jou de keuze om mijn woorden te lezen of de stilstand te bewaren.
Liefs, Anna
© Koningin der Decadentie
De Waarheid
Op het bankje zat het vrouwtje, klein en tenger van stuk, gekleed in een helderwit gewaad. Haar haren, door de tijd tot puur zilver geworden, waren strak gebonden in een klein staartje in haar nek. Haar huid was zacht, nagenoeg rimpeloos doorzichtig wit. Zoals ze daar zat in de eerste zonnestralen, haar broze handen vredig in haar schoot gelegd kijkend naar het ruwe maagdelijke landschap om haar heen, was het alsof God was neergestreken om te genieten van zijn schepping.
Anna parkeerde haar auto. Terwijl ze uitstapte viel haar oog op de dorre grond waar een dode hagedis een mooi grafisch patroon vormde. Anna bleef even staan. Ze bewonderde de lijnen van de platte hagedis. Er was enkel een afdruk van hem. Vervolgens liep ze naar het bankje en ging ze naast het vrouwtje zitten. Ze wist waarom Anna gekomen was.
“Och meisje,” zei ze lachend nadat Anna haar verhaal had verteld, “er is niets heerlijker in de wereld dan hopeloos verliefd te zijn, vind je niet? Weet je,” zei ze terwijl ze teder de hand van Anna pakte en wat dichter naar haar toe schoof, “liefde zorgt dat de wereld draait. Liefde is een energie die rechtstreeks van God komt. Ookal heeft hij je afgewezen, het maakt niets uit. Je weet nu dat je in staat bent om iemand lief te hebben. Dat is wat hij jou geleerd heeft. Het vermogen om te houden van een ander. Is dat niet het grootste geschenk dat hij jou had kunnen geven? Kijk naar hem met liefde. Hij is je leraar, je begeleider. Voor je in dit leven stapte heb je met hem afgesproken dat hij je deze les zou geven. Wees toch niet boos op degenen die je helpen je leven zin te geven.”
De woorden gaven Anna geen troost maar maakte haar boos en opstandig.
“Nee,” schreeuwde ze, “liefde is niet zoetsappig en mooi. Liefde is lijden.” Anna vervolgde: “Geloof me, als mijn liefde voor hem een doodgewoon verliefdheidje was geweest. Iets waar ik jaren later nog met weemoed aan terug zou denken om te verzuchten wat een fijne tijd het was. Iets waardevols waar ik op stormachtige dagen stil over zou kunnen dromen. Dan was ik hier niet gekomen. In mijn buik zijn geen vlinders te bekennen die zoet zweven bij het denken aan de tijd die we samen hadden of bij het zien van zijn aanwezigheid. Het doet me niet blij en sprankelend glimlachen. Mijn wereld kleurt niet zachtroze. Gedachten aan hem maken mij niet simpelweg lief en gelukkig. Ze vernederen me. Elke keer als ik hem zie of aan hem denk, overvalt me de keer dat hij me afwees. Elke herinnering wordt overschaduwd door een aanval van pure woede en misselijkheid veroorzaakt door een duister en pijnlijk gevoel van vleermuizen die raaklings in mijn maagzuur scheren tot ik vol afschuw smeek om genade. Het maakt me duivels en scherp, gereed om de eerste persoon die in mijn buurt durft te komen om te brengen met mijn zwarte cynisme.” Ze rukte haar hand los.
“Mijn gevoelens zijn zo tegenstrijdig. Ik voel hem als één met mij. Elke keer als ik mezelf zoek, kom ik bij hem uit. Dan blijkt dat ik meer hem ben en hij meer mij is, dan ik mezelf ben. Alles wat hij doet, voel ik. Zijn leed is de mijne. Zijn vreugde is mijn geluk. Samen zijn we één. Onze ziel wil weer één zijn. Hij is mijn Tweelingziel. Maar als ik hem zie, raak ik in paniek. Alleen het idee al om hem te ontmoeten, maakt me misselijk. Een confrontatie waar ik niet op zit te wachten. Ik wil hem niet meer zien. Ik kan de stap niet nemen. Het conflict tussen ons is een innerlijke strijd in mij geworden.”
“Maar wat als je hem weer tegenkomt?”
“Wat ik niet zie, dat is er niet.”, antwoordde Anna.
“Of je doet alsof je hem niet ziet”, zei het vrouwtje fel, “om hem dwars te zitten. In de hoop dat hij de strijd zal aangaan. Je pest, manipuleert, negeert net zolang tot hij zal reageren. Tot hij in woede uitbarst. Dat is natuurlijk makkelijker voor jou. Hij begint en jij denkt je handen in onschuld te wassen. Jij denkt dat jij het slachtoffer bent. Dat hij jou intimideert. Als ik jou was zou ik er niet vanuit gaan dat deze tactiek werkt. Je zult je lelijk branden. Je weet niet uit welk hout hij gesneden is met die onzin over zijn ziel is mijn ziel. Je kent hem niet eens. Hij is gewoon een persoon die je tegen bent gekomen. Nu projecteer je op hem een heel karmisch verleden, omdat je wilt dat jouw leven zin heeft. Hij heeft er niets mee te maken. Hij is een onschuldige voorbijganger. Laat hem met rust en zoek een hobby!”
Het vrouwtje zuchtte eens. Na een korte stilte zei ze iets vriendelijker: “Ik zal je een manier leren om hem los te laten. Heb je weleens gemediteerd?”
Het vrouwtje vertelde haar een simpele oefening die ze kon doen als ze alleen was en zich weer bekneld voelde door zwarte gedachten.
Terwijl ze terugliep naar haar auto, zag ze de hagedis weer die zijn weg gevonden had naar God. Nu lagen er nog resten van wat ooit zijn lichaam was geweest. Opeens werd het Anna duidelijk. De man – de relatie – was geen einddoel, het was een middel om te kunnen groeien. Om bij het Zelf te komen. Het vrouwtje had gelijk: hij was een voorbijgaande factor. Het begrip Tweelingziel behoorde tot het land der fabelen. Er was geen andere helft van haar die hier op aarde rondliep. Volmaaktheid zat in het Zelf. Het kon zijn dat ze iemand ontmoette die haar een duw zou geven. Maar om haar eigen volmaaktheid te vinden moest zelf de verantwoordelijkheid nemen. Het had geen zin om te wachten tot hij haar problemen zou oplossen.
© Koningin der Decadentie