Het voelen van onvoorwaardelijke liefde
Ik wilde onvoorwaardelijk van hem houden. Dat was mijn doel. Ik vroeg me af of het überhaupt mogelijk was om onvoorwaardelijk liefde te voelen zonder hem te willen bezitten of te veranderen.
Ik weet wat goed is voor mij en mij alleen, zoals hij weet wat goed is voor hem. Ik kan mijn hand aanreiken, maar hij zal die zelf moeten willen pakken. Hoe vaak wil ik zijn problemen oplossen zonder dat ik echt weet of hij wel van zijn problemen af wil? Nee, ik wil gelijk de helpende hand bieden omdat het is veel makkelijker om direct oplossingen te bedenken voor zijn problemen dan hem te zien ploeteren. Ik heb het antwoord al gezegd voordat de vraag is gesteld. Vaak geef ik hem niet eens de tijd om zich bewust te worden van zijn leed. Ik wil er snel een pleister opplakken zodat de wond niet meer te zien is. Maar pleister of niet, de wond zit er nog steeds. En de enige die de wond kan genezen is de bezitter van de wond. Zo is het ook met liefde. Ik zeg te snel dat ik onvoorwaardelijk van hem houd. Voor altijd en eeuwig. In een roes van heftige verliefdheid riep ik “niets kan mijn liefde voor jou veranderen”. Of “ik wil niet dat je verandert, ik hou van je zoals je bent”. Zo voelde ik het.
Zodra ik in gesprek ga met hem, onderneem ik een poging om hem te veranderen. Houdt onvoorwaardelijke liefde dan in dat ik niet meer in gesprek ga?
Ik weet nu dat onvoorwaardelijke liefde is hem los te kunnen laten dat hij het pad volgt dat hij kiest, zonder dat ik wil waarschuwen voor de gevaren. Hem bij te staan indien hij om hulp vraagt zonder het “ik had je het nog zo gezegd”. Te luisteren naar zijn behoeften zonder de behoeften te willen invullen. Het oprecht kunnen zeggen “ik sta naast je, wat je ook doet”. Ook als hij mijn hulp afwijst.
Ik was zo bezeten van hem, dat ik niets anders meer kon dan aan hem denken. Ik wilde onophoudelijk bij hem zijn. Ik wilde hem mijn leven geven. Ik wilde hem helpen en gelukkig maken zodat hij eeuwig zou stralen. Ik wilde zijn zon zijn waar hij zich aan kon warmen, van wie hij levenslust zou ontvangen. Ik wilde zijn maan zijn waarbij hij zich veilig kon voelen in donkere nachten. Ik wilde belangrijk voor hem zijn. Mijn hele wereld draaide om hem en ik eiste dat zijn wereld om mij zou draaien. Maar hij wees me af.
Mijn liefde werd alleen nog heftiger. Ik moest en zou bij hem zijn. Ik was zijn onzichtbare engel. Wat hij ook deed, ik stond achter hem. Ik zou hem tonen wat onvoorwaardelijke liefde was, want ik, ik hield onvoorwaardelijk van hem, of hij nu van mij hield of niet! Dat zei ik tegen mezelf.
Maar toen hij het moeilijk had, kon ik er niet voor hem zijn. Ik werd beperkt door mijn boosheid voor wat hij mij had aangedaan. Mijn boosheid was een wereld geworden waarin ik me veilig voelde. Ik was bang dat te verliezen wat ik zorgvuldig had opgebouwd. Ik kon onmogelijk de stap nemen om weer opnieuw van hem te gaan houden. Mijn zogenaamde onvoorwaardelijke liefde was een valse illusie. Ik dacht dat als ik onvoorwaardelijk van hem hield, het niet hebben van aards contact (zien, spreken, aanraken of ruiken) een contact zou creëren op spiritueel niveau; ik zou onvoorwaardelijk voor eeuwig van hem houden. Het werd een obsessie. Het werd een dwang. Mijn verlangen naar hem overheerste alles. Ik kon niet meer leven. Het maakte mij niets meer uit. Ik wilde niemand zien, ook hem niet. Ik sloot me af van alles. Want ik wilde mijn liefde vasthouden. Ik wilde het beeld wat ik van hem had vasthouden voor eeuwig. Zijn gezicht, zijn houding, zijn bewegingen en zijn stem. Het was me zo lief. Ik was bang dat als ik hem weer zou ontmoeten mijn beeld van hem aan diggelen geslagen zou worden. Dat ik zou zien dat hij helemaal niet zo was zoals ik hem had gecreeërd in mijn gedachten.
Tot het me op een dag duidelijk werd; het is makkelijker om een droombeeld, een ideaal lief te hebben dan de harde werkelijkheid onder ogen te komen. In feite was ik diep in mij bang dat mijn liefde niet zo onvoorwaardelijk zou zijn, als ik mezelf had voorgenomen en dat een ontmoeting met hem mijn liefde en mijn droombeeld zou veranderen. De angst dat mijn ogen met een geweld geopend zouden worden, was zo groot dat ik me wilde verstoppen. De idee dat hij niet kan voldoen aan het beeld wat ik had, deed mij pijn. Ik wilde niet dat hij van zijn voetstuk af zou vallen, ookal gooide ik hem er regelmatig vanaf. Elke keer herstelde ik zijn voetstuk weer. Het was makkelijker om op een afstand te zeggen dat ik hem liefheb met al zijn beperkingen dan dat ik hem werkelijk probeer lief te hebben. Het is veilig om te denken dat de enige factor die mijn liefde kan beïnvloeden ikzelf ben. Dus was het uitgesloten dat ik ooit contact met hem zou hebben. Nu weet ik dat ik geen vertrouwen in hem had.
Ik dacht ooit dat de hoogste vorm van iemand liefhebben de onvoorwaardelijke liefde was waarbij ik geen aanspraak maakte op zijn tijd. Een liefde waarvan ik geen verwachtingen had.
Nu begin ik langzaam te beseffen dat onvoorwaardelijke liefde inhoudt dat ik mezelf accepteer met mijn fouten en de ander accepteer zoals hij is. Onvoorwaardelijke liefde is durven vragen om liefde, haar weggeven en haar weer te ontvangen. Het is een cirkel. Een energie die stroomt en stroomt, net als het water van de zee. Het heeft geen zin om het in te dammen. Op een dag neemt de zee weer terug wat aan haar behoort. Ze overlegt niet. Nooit. Ze is er. En ze is er ook weer niet. Onvoorwaardelijke liefde is bij hem durven te zijn om hem weer los te laten. Durven aanspraak te maken op zijn tijd zonder het te claimen. Geen oplossingen aandragen voor zijn problemen, maar vertrouwen hebben in hem en mezelf.
Onvoorwaardelijke liefde is een balans die continu doorslaat en tegelijkertijd eeuwig in evenwicht is. Ongrijpbaar en onbereikbaar en op hetzelfde moment zit het besloten in mezelf.
© Koningin der Decadentie
De Waarheid
Op het bankje zat het vrouwtje, klein en tenger van stuk, gekleed in een helderwit gewaad. Haar haren, door de tijd tot puur zilver geworden, waren strak gebonden in een klein staartje in haar nek. Haar huid was zacht, nagenoeg rimpeloos doorzichtig wit. Zoals ze daar zat in de eerste zonnestralen, haar broze handen vredig in haar schoot gelegd kijkend naar het ruwe maagdelijke landschap om haar heen, was het alsof God was neergestreken om te genieten van zijn schepping.
Anna parkeerde haar auto. Terwijl ze uitstapte viel haar oog op de dorre grond waar een dode hagedis een mooi grafisch patroon vormde. Anna bleef even staan. Ze bewonderde de lijnen van de platte hagedis. Er was enkel een afdruk van hem. Vervolgens liep ze naar het bankje en ging ze naast het vrouwtje zitten. Ze wist waarom Anna gekomen was.
“Och meisje,” zei ze lachend nadat Anna haar verhaal had verteld, “er is niets heerlijker in de wereld dan hopeloos verliefd te zijn, vind je niet? Weet je,” zei ze terwijl ze teder de hand van Anna pakte en wat dichter naar haar toe schoof, “liefde zorgt dat de wereld draait. Liefde is een energie die rechtstreeks van God komt. Ookal heeft hij je afgewezen, het maakt niets uit. Je weet nu dat je in staat bent om iemand lief te hebben. Dat is wat hij jou geleerd heeft. Het vermogen om te houden van een ander. Is dat niet het grootste geschenk dat hij jou had kunnen geven? Kijk naar hem met liefde. Hij is je leraar, je begeleider. Voor je in dit leven stapte heb je met hem afgesproken dat hij je deze les zou geven. Wees toch niet boos op degenen die je helpen je leven zin te geven.”
De woorden gaven Anna geen troost maar maakte haar boos en opstandig.
“Nee,” schreeuwde ze, “liefde is niet zoetsappig en mooi. Liefde is lijden.” Anna vervolgde: “Geloof me, als mijn liefde voor hem een doodgewoon verliefdheidje was geweest. Iets waar ik jaren later nog met weemoed aan terug zou denken om te verzuchten wat een fijne tijd het was. Iets waardevols waar ik op stormachtige dagen stil over zou kunnen dromen. Dan was ik hier niet gekomen. In mijn buik zijn geen vlinders te bekennen die zoet zweven bij het denken aan de tijd die we samen hadden of bij het zien van zijn aanwezigheid. Het doet me niet blij en sprankelend glimlachen. Mijn wereld kleurt niet zachtroze. Gedachten aan hem maken mij niet simpelweg lief en gelukkig. Ze vernederen me. Elke keer als ik hem zie of aan hem denk, overvalt me de keer dat hij me afwees. Elke herinnering wordt overschaduwd door een aanval van pure woede en misselijkheid veroorzaakt door een duister en pijnlijk gevoel van vleermuizen die raaklings in mijn maagzuur scheren tot ik vol afschuw smeek om genade. Het maakt me duivels en scherp, gereed om de eerste persoon die in mijn buurt durft te komen om te brengen met mijn zwarte cynisme.” Ze rukte haar hand los.
“Mijn gevoelens zijn zo tegenstrijdig. Ik voel hem als één met mij. Elke keer als ik mezelf zoek, kom ik bij hem uit. Dan blijkt dat ik meer hem ben en hij meer mij is, dan ik mezelf ben. Alles wat hij doet, voel ik. Zijn leed is de mijne. Zijn vreugde is mijn geluk. Samen zijn we één. Onze ziel wil weer één zijn. Hij is mijn Tweelingziel. Maar als ik hem zie, raak ik in paniek. Alleen het idee al om hem te ontmoeten, maakt me misselijk. Een confrontatie waar ik niet op zit te wachten. Ik wil hem niet meer zien. Ik kan de stap niet nemen. Het conflict tussen ons is een innerlijke strijd in mij geworden.”
“Maar wat als je hem weer tegenkomt?”
“Wat ik niet zie, dat is er niet.”, antwoordde Anna.
“Of je doet alsof je hem niet ziet”, zei het vrouwtje fel, “om hem dwars te zitten. In de hoop dat hij de strijd zal aangaan. Je pest, manipuleert, negeert net zolang tot hij zal reageren. Tot hij in woede uitbarst. Dat is natuurlijk makkelijker voor jou. Hij begint en jij denkt je handen in onschuld te wassen. Jij denkt dat jij het slachtoffer bent. Dat hij jou intimideert. Als ik jou was zou ik er niet vanuit gaan dat deze tactiek werkt. Je zult je lelijk branden. Je weet niet uit welk hout hij gesneden is met die onzin over zijn ziel is mijn ziel. Je kent hem niet eens. Hij is gewoon een persoon die je tegen bent gekomen. Nu projecteer je op hem een heel karmisch verleden, omdat je wilt dat jouw leven zin heeft. Hij heeft er niets mee te maken. Hij is een onschuldige voorbijganger. Laat hem met rust en zoek een hobby!”
Het vrouwtje zuchtte eens. Na een korte stilte zei ze iets vriendelijker: “Ik zal je een manier leren om hem los te laten. Heb je weleens gemediteerd?”
Het vrouwtje vertelde haar een simpele oefening die ze kon doen als ze alleen was en zich weer bekneld voelde door zwarte gedachten.
Terwijl ze terugliep naar haar auto, zag ze de hagedis weer die zijn weg gevonden had naar God. Nu lagen er nog resten van wat ooit zijn lichaam was geweest. Opeens werd het Anna duidelijk. De man – de relatie – was geen einddoel, het was een middel om te kunnen groeien. Om bij het Zelf te komen. Het vrouwtje had gelijk: hij was een voorbijgaande factor. Het begrip Tweelingziel behoorde tot het land der fabelen. Er was geen andere helft van haar die hier op aarde rondliep. Volmaaktheid zat in het Zelf. Het kon zijn dat ze iemand ontmoette die haar een duw zou geven. Maar om haar eigen volmaaktheid te vinden moest zelf de verantwoordelijkheid nemen. Het had geen zin om te wachten tot hij haar problemen zou oplossen.
© Koningin der Decadentie