De Koning der Arrogantie
Narcissus, waarvan voorspeld was dat hij lang zou kunnen blijven leven ‘zolang hij zichzelf niet kende’, was de zoon van de rivier Cephissus en waternimf Liriope. Hij groeide op tot een beeldschone jongeman. Een prachtige verschijning. Vele vrouwen en mannen vielen ten prooi aan zijn onweerstaanbare charmes. Hij was echter zo arrogant dat hem dit volkomen koud liet en wees hen alle op botte wijze af. Brak hart na hart en liet een spoor van vernieling na. Tot één van zijn aanbidders hem ook zo’n onbeantwoorde liefde toewenste.
Zo gebeurde dat Narcissus op een dag zijn eigen verschijning zag in de gladde waterspiegel. Hij raakte gefascineerd en raakte zo heftig verliefd op zijn eigen spiegelbeeld dat hij haar keer op keer wilde zien. Maar nimmer kon hij contact met haar maken. Zijn spiegelbeeld reageerde altijd direct. Glimlachte als hij glimlachte. Maar elke keer als hij haar aan wilde raken verdween zij in de diepte. De pijn die volgde op de afwijzingen was zo hevig dat hij niet meer kon slapen en eten. Uiteindelijk stierf hij door liefdesverdriet. Maar zelfs in het dodenrijk was hij niet verlost van zijn obsessie. Hij bekeek zichzelf keer op keer in het zwarte water van de onderwereldrivier de Styx zoekend naar zijn eigen spiegelbeeld.
© Koningin der Decadentie
Narcissus
Ze zag hem. Hij was nog geen tien meter van haar verwijderd. In het volle zonnelicht daalde hij nonchelant het trapje af. Haar maag versteende. Ze voelde geen behoefte aan een ontmoeting. Ze wilde hem niet zien. Of liever, ze wilde niet dat hij haar zag. Ze verborg zich in de schaduw van de bomen. Hij zag haar niet. Hij had blijkbaar geen benul dat ze daar stond. Of dat ze bestond. Ze maakte geen deel uit van zijn leven. Als hij haar zou zien zou hij hooguit vol arrogantie zijn hand opsteken. Als de situatie dat toeliet. Het betekende niets. Gewoon beleefd groetend. Vervolgens zou hij zijn weg weer vervolgen alsof er niets was gebeurd. Alsof hij niet net oog in oog had gestaan met de dood.
Vanuit haar schuilplaats keek ze toe hoe hij vervolgens behendig in zijn onophoudelijke blinkende auto stapte. Zijn kleding zat immer vlekkeloos perfect. Alsof hij zojuist uit een catalogus van exclusieve mannenkleding was gestapt. Ze probeerde hem voor te stellen hoe hij uit zijn luxueuze auto zou stappen als hij met 120 kilometer per uur frontaal tegen een boom gebotst zou zijn. Maar nee, ook in die fantasieën zat zijn kleding netjes recht. Zelfs zijn haren waren geen centimeter verschoven van hun plaats. Vast en zeker was hij vroeger zo’n jongentje geweest dat tijdens feestjes rustig op een stoel was blijven zitten. Ze zag hem al zitten, braaf met zijn armpjes over elkaar. Een oase van rust tussen de jongens eeuwig stoeiend en schreeuwend om hem heen. Hem vol vuur vragend om mee te gaan, in bomen te klimmen en over sloten te springen. Hooghartig hoorde ze hem al naar de kinderen lispelen: “dan wordt mijn kleding vies.” Terwijl hij hen nagekeken zou hebben met in zijn ogen brandend het verlangen om net als hen te mogen ravotten. Maar de gedachten aan de keiharde klappen van zijn vader en scheldtirades van zijn moeder die volgden als hij thuis kwam met gescheurde kleren, weerhielden hem. Zo had hij in zijn jeugd het talent ontwikkeld om afwezig te dromen. Terwijl hij lief op zijn stoel had gezeten, had hij vast de stoutste avonturen beleefd en had hij vol moed zijn grootste vijanden verslagen. Eenmaal volwassen was hij het brave jongetje gebleven. Altijd onberispelijk gekleed, nog altijd dromend op zijn stoel. Arrogant, omdat iets anders hem nooit was geleerd, leverde hij kritiek op de risiconemende idioten die nog steeds worstelend rond hem heen poogden te voldoen aan de hoge verwachtingen van het leven. Zijn grootste vijand nu was zijn diepste verlangen om te zijn zoals hen die hij verachtte. Ze wist dat ook zij behoorden tot die groep personen. Het stak haar. Daarom negeerde ze hem. Honend noemde ze hem, Narcissus, de koning der arrogantie.
Zijn gebrek aan vriendjes vroeger had ervoor gezorgd dat het onmogelijk voor hem bleek om met mannen te kunnen werken, verzon ze. Hij had nooit geleerd hun taal te spreken en voelde zich niet op zijn gemak bij de luidruchtige schreeuwende en opscheppende mannen. Bij vrouwen des te meer. Om hem heen was er altijd een kring van vrouwen die vochten om zijn aandacht. Vreselijk vond zij dat.
Ze was zo anders als hij. Als kind was zij degene die voorop rende. De aanvoerder van het kwaad. Altijd vol chaos en vies smerig. De schrik van de wasmachine en haar moeder, die zo vurig wenste haar dochter op te voeden in snoezige jurkjes. Geen smoezelige jurkjes. Nog steeds had ze moeite om de vlekken uit haar kleding te houden. Het was alsof haar blousen en rokken schreeuwden naar koffie, tomatenpuree en chocola. Zo verdomd aantrekkelijk dat koffie niet anders kon dan haar blouse te bespringen.
Gehard door de strijd, tranen verbijtend, vechtend met de jongens om het leiderschap, rolde ze door haar jeugd. Emoties tonen had ze al snel verleerd. Dat was voor zielige, zachte meisjes. Okay, ze was een meisje, maar zeker niet lief en gehoorzaam. Altijd op zoek naar de grenzen van het geduld van de volwassenen. Die krankzinnig werden van haar onmogelijk drukke gedrag en keer op keer in woede uitbarstten als ze weer eens iets had gedaan dat niet paste bij het gedrag van een meisje. Een dame, zoals haar altijd werd toegesnauwd: “Anna, wees nu eens een da-ame!”
Het had haar geleerd de dingen stil te doen. Zolang haar ouders haar niet hoorden of zagen kon ze doen wat ze wilde. Ze ging haar eigen gang. En dat deed ze nog steeds. Het was haar manier van doen. Ze voelde zich niet op haar plaats als ze voor het voetlicht stond. Dus zocht ze de schaduwen op. Wat niet eenvoudig was. Ze was niet een klein tenger meisje wat ze graag had willen zijn. Ze had te veel lichaam gekregen. Ze wist niet wat ze ermee aan moest. Het was gewoon te veel. Overal armen en benen die alle kanten opzwaaiden. Ze was langer dan de meeste vrouwen en – tot haar grote schrik – mannen. Ze voelde zich vaak een olifant in een porseleinkast. Als zij ergens binnenkwam en enthousiast de mensen begroette, vloog er soms spontaan een vaas naar de andere wereld. Ze kon er niets aandoen. Het ging vanzelf. Dus probeerde ze zich in te houden en als een stil muisje binnen te sluipen, zodat niemand verschrikt zou raken. Ze wilde het liefst ver buiten het blikveld van iedereen blijven en in het bijzonder buiten het zijne. Zij wilde zich verstoppen voor hem.
Het had geen zin. Hij werkte van binnenuit, zoals kanker van binnen de ingewanden opvreet om in een vergevorderd stadium terminaal te blijken. Pas te voorschijn komend als het kwaad al geleden was. Hij kroop onder haar huid en wroette net zolang door. Bij alles wat ze deed hoorde ze zijn kritiek. Woedend werd ze van hem. Dat hij het lef had gehad om in haar leven te komen. Dat ze haar bewondering aan hem had gegeven. Dat ze zo dom had kunnen zijn om hem te vertrouwen. Ze had al niet veel op met mannen. Waardeloze wezens vond ze hen. Nauwelijks in staat om zoiets als gevoelens te hebben. Altijd op zoek naar een manier om een vrouw in bed te krijgen. Ze walgde van hen allemaal. Ook van hem. Ze haatte hem omdat hij met een gemak alsof het niets was gevoelens in haar losmaakte die ze niet wilde hebben. Zeker niet voor zo’n man als hij. Met enkel vrouwen om zich heen. Veel te veel concurrentie. Waarom zou hij aandacht voor haar hebben als er zo al tien vrouwen waren die zich vrijwillig kwamen aanbieden. Zo bijzonder was ze niet.
Ze grinnikte. Ze herinnerde zich het moment waarop iedereen zich had moeten presenteren aan de medestudenten. De één was nog meer bijzonder dan de ander. Elke student vertelde zo enthousiast over zijn kwaliteiten en talenten, dat ze er kotsmisselijk van werd. Ze hield niet van die personen, zich op de borst slaand, om aan te kondigen dat zij de beste waren van hun soort. Als tegenactie had zij zich gepresenteerd als een gewoon meisje, dat in een gewone stad woonde, gewone ouders had en gewoon naar school ging. Daar was niets speciaals aan. Ze had de hele groep over zich heen gekregen. Ieder moest haar vertellen dat ze wel bijzonder was, dat ze talent had. Verward had ze gezucht onder zoveel onbegrip.
Als iedereen bijzonder zou zijn, wat bleef er dan nog voor haar over? Waarom zou ze dan zo hard werken om beter te zijn dan iedereen, om met kop en schouders boven het gewone volk uit te steken. De enige manier om de top te bereiken was om beter dan iedereen te WORDEN! Pas dan kon zij zich ontwikkelen en verbeteren tot ze bijzonder zou zijn.
Maar nu was ze net als iedereen gewoon gewoon. Er zou een tijd komen dat iedereen verbaasd zou zijn over haar kwaliteiten. Dan zou ze uit haar schaduwen treden. Vol voor het voetlicht. Iedereen zou zien hoe bijzonder ze was, maar vooral hij. Hij zou aan haar voeten liggen. En niemand had dat, natuurlijk, van haar verwacht. Dat was haar toekomst. Haar droom.
Toen de auto uit het zicht verdwenen was, stapte ze uit de schaduwen. Ze wenste hem een onmogelijke liefde toe. Dat hij verteerd zou worden door immens verdriet om zich niet compleet te voelen. Want zo bijzonder was hij niet.
© Koningin der Decadentie