Zelfdestructief
Ze had die nacht gedroomd: Ze liep samen met hem over een weg. Een rechte weg over een dijk met groen gras aan de zijkanten. Zij liep aan de bermkant. Hij zweeg en stapte met een behoorlijk tempo door. Ze deed haar best om hem bij te houden. Elke keer kwam hij dichter bij haar lopen, waardoor hij haar bijna de weg afduwde. Ze moest moeite doen om op de weg te blijven en niet van de groene helling af te rollen. Ze moest elke keer een stap achteruit zetten als hij haar de pas afsneed. Maar dan maakte hij ruimte zodat ze weer naast hem kon lopen. Totdat ze er genoeg van had en aan de andere kant van hem ging lopen. Hij zei niets maar gaf opeens haar zware tas met boeken terug, die hij droeg.
Ze stond voor dezelfde zee als ze jaren geleden had gestaan, toen ze vastbesloten was een eind aan haar leven te maken. Een eind aan haar pijn. Ze observeerde de zee en haar golven. De manier waarop de zee zich onophoudelijk met immense kracht op de scherpe donkere rotsen wierp. Steeds weer. Het proberen om een relatie met hem te hebben was alsof ze in die zee lag. Elke keer bracht hij haar op zijn golven tot grote hoogten om haar vervolgens keihard op de rotsen te werpen. En om haar daarna weer op te nemen in zijn armen. Elke keer raakte ze dieper gewond. Het was zelfdestructief. Net als de zee had hij geen notie van haar bestaan en haar pijn. Het maakte hem niet uit of zij in zijn leven was. Hij gaf niets om haar. Dat werd bij elke golfslag duidelijker.
Ze dacht aan haar droom die haar eigenlijk hetzelfde vertelde. Bij hem kon ze nooit zijn wie ze wilde zijn. Hij zou haar altijd de pas afsnijden om haar vervolgens weer ruimte te geven. Het was een spelletje dat steeds weer opnieuw werd gespeeld. Zonder einde. Ze wilde uit die zee. Ze wilde weg van hem. Weg van haar eigen drang tot zelfdestructie.
In haar een groeide het verlangen naar een man die haar bewonderde, die om haar gaf, die lief was voor haar. Die haar toonde dat hij zich bewust was van haar bestaan.
© Koningin der Decadentie
De droom
Hij verscheen in haar droom. Ze was op de school waar ze lang geleden op gezeten had. Er was een feest gaande. Ze wist dat hij daar ook was. Ze zag hem. Ze wilde hem zien en toch ook weer niet. Hem zien betekende dat hij haar ook kon zien. Stiekem keek ze naar hem. Hij was gekleed in een geruite broek en effen shirt. Niet echt volgens de laatste mode, maar hij kon van alles aantrekken en nog zag hij er fantastisch uit, vond zij. Terwijl ze zijn khaki-kleurige kleding bestudeerde werd zij zich bewust van de kleding die zij droeg. Ook zij droeg een geruite broek en een effen shirt. Maar haar kleding was niet in stijl zoals de zijne. Het waren schreeuwerige kleuren die niet bij elkaar paste. Ze raakte in paniek. Zo mocht hij haar niet zien. Hij zou denken dat zij geen kleurgevoel bezat. Iets wat haar opeens erg belangrijk leek. Ze voelde zijn aanwezigheid; hij was heel dichtbij haar. Ze voelde dat hij naar haar keek. Ze zag zijn broek en shirt. Ze durfde hem niet aan te kijken. Ze probeerde weg te komen uit de ruimte waar hij was.
Toen ze veilig ver verwijderd uit zijn blikveld tot bedaren kwam, voelde zij zich schuldig omdat ze hem niet had durven groeten. Het voelde als een gemiste kans. Ze werd moedeloos van zichzelf. Ze zou nooit in het reine kunnen komen met hem.
De hele dag bleef haar droom haar achtervolgen. Het was haar schuld. Zij was degene die zich continu schaamde niet te voldoen aan zijn verwachtingen of liever haar eigen verwachtingen. Zij was degene die weg bleef van hem. Het was haar schuld.
© Koningin der Decadentie