Verslaafd aan een obsessie

5 mei 2009 at 4:08 pm (Overpeinzingen) (, , , )

Het was tien dagen geleden sinds het artikel ‘Tien tekenen dat je verslaafd bent’ had gelezen. Toch leek het alsof ze het tijdschrift net naast haar neer had gelegd. Elk woord had haar diep geraakt. Het had haar ogen geopend. Ze was verslaafd aan hem.

Ze wilde bij hem zijn. Ze wilde hem gade slaan in alles wat hij deed. Als hij sliep, at, werkte, in zijn auto reed… Ze wilde overal zijn waar hij was. Ze wilde weten wat hij dacht. Ze wist zijn verjaardag, zijn adres, zijn nummerbord. Ze was geobsedeerd. Ze had zichzelf niet onder controle.
Toch wilde ze uit zijn buurt blijven. Zijn aanwezigheid verlamde haar. Als ze hem zag, kon ze alleen maar staren, zodat ze al zijn bewegingen, veranderingen en uitspraken in zich op kon nemen. Om er later nog uren over te mijmeren.

Hij bracht haar tegenstrijdige verlangens. Het maakte haar krankzinnig. Ze wilde dat hij haar met rust liet, maar tegelijkertijd wilde ze al zijn aandacht voor haar alleen. Ze wilde met hem praten, hem vasthouden. Ze wilde met hem trouwen en zijn vrouw zijn, zodat iedereen zou weten dat hij aan haar toebehoorde. Maar zelfs dat was niet genoeg. Ze wilde één met hem zijn. Ze wilde zijn gedachten, zijn emoties en zijn voorkeuren delen. Misschien sprak de idee van tweelingzielen haar daarom aan. Als haar ziel de zijne was, dan kon hij haar nooit verlaten. Dan was hij voor eeuwig bij haar.

Ze zuchtte. Ze moest een manier vinden om zich te bevrijden van deze verslaving. Het was niet gezond. Waarom kon ze niet zijn zoals hem; hij was ‘gewoon’ verslaafd aan alcohol en sigaretten.

In haar lichaam voelde ze weerstand om haar verslaving op te geven. Het voelde veilig. Ze had iets wat altijd bij haar was en waarover ze op elk gewenst moment kon fantaseren. Ze had altijd iets te doen. Het artikel had het over een stappenplan. De eerste stap was de erkenning. Ze glimlachte. Het was niet moeilijk om toe te geven dat ze verslaafd was en dat dat niet gezond was. De eerste stap had ze al genomen.

De tweede stap was haar leven voor te stellen zonder de verslaving. Wat zou ze allemaal kunnen doen als ze niet meer verslaafd zou zijn? Het bleef leeg. Geen toekomstbeeld doemde op. Dat was wel anders als ze fantaseerde over een toekomstbeeld met hem. Dan kwamen de beelden als vanzelf. Die beelden maakten haar gelukkig. Ze brachten haar in een roes, een droomwereld waarin ze vergat wie ze werkelijk was. Een eenzame vrouw zonder sociale vaardigheden.

Ze moest een nieuw doel zoeken voor haar leven. Misschien een relatie met een andere man. Dat was de meest voor de handliggende optie. Het voelde als een goedkoop subsitituut. Ze had dat al eens geprobeerd en het had haar behoeften weinig vervuld. Ze wilde een relatie met hem en alleen met hem. Maar hij niet met haar. Het was dus niet mogelijk. Zo simpel was dat.

Eigenlijk was er niemand die bij haar paste. Ook hij niet, want hij hield niet van haar. Maar waarom was ze dan toch zo verslaafd aan hem?

Permalink Laat een reactie achter

Het voelen van onvoorwaardelijke liefde

9 december 2008 at 11:52 am (Overpeinzingen) (, , , , , , , , )

Ik wilde onvoorwaardelijk van hem houden. Dat was mijn doel. Ik vroeg me af of het überhaupt mogelijk was om onvoorwaardelijk liefde te voelen zonder hem te willen bezitten of te veranderen.

Ik weet wat goed is voor mij en mij alleen, zoals hij weet wat goed is voor hem. Ik kan mijn hand aanreiken, maar hij zal die zelf moeten willen pakken. Hoe vaak wil ik zijn problemen oplossen zonder dat ik echt weet of hij wel van zijn problemen af wil? Nee, ik wil gelijk de helpende hand bieden omdat het is veel makkelijker om direct oplossingen te bedenken voor zijn problemen dan hem te zien ploeteren. Ik heb het antwoord al gezegd voordat de vraag is gesteld. Vaak geef ik hem niet eens de tijd om zich bewust te worden van zijn leed. Ik wil er snel een pleister opplakken zodat de wond niet meer te zien is. Maar pleister of niet, de wond zit er nog steeds. En de enige die de wond kan genezen is de bezitter van de wond. Zo is het ook met liefde. Ik zeg te snel dat ik onvoorwaardelijk van hem houd. Voor altijd en eeuwig. In een roes van heftige verliefdheid riep ik “niets kan mijn liefde voor jou veranderen”. Of “ik wil niet dat je verandert, ik hou van je zoals je bent”. Zo voelde ik het.

Zodra ik in gesprek ga met hem, onderneem ik een poging om hem te veranderen. Houdt onvoorwaardelijke liefde dan in dat ik niet meer in gesprek ga?
Ik weet nu dat onvoorwaardelijke liefde is hem los te kunnen laten dat hij het pad volgt dat hij kiest, zonder dat ik wil waarschuwen voor de gevaren. Hem bij te staan indien hij om hulp vraagt zonder het “ik had je het nog zo gezegd”. Te luisteren naar zijn behoeften zonder de behoeften te willen invullen. Het oprecht kunnen zeggen “ik sta naast je, wat je ook doet”. Ook als hij mijn hulp afwijst.

Ik was zo bezeten van hem, dat ik niets anders meer kon dan aan hem denken. Ik wilde onophoudelijk bij hem zijn. Ik wilde hem mijn leven geven. Ik wilde hem helpen en gelukkig maken zodat hij eeuwig zou stralen. Ik wilde zijn zon zijn waar hij zich aan kon warmen, van wie hij levenslust zou ontvangen. Ik wilde zijn maan zijn waarbij hij zich veilig kon voelen in donkere nachten. Ik wilde belangrijk voor hem zijn. Mijn hele wereld draaide om hem en ik eiste dat zijn wereld om mij zou draaien. Maar hij wees me af.

Mijn liefde werd alleen nog heftiger. Ik moest en zou bij hem zijn. Ik was zijn onzichtbare engel. Wat hij ook deed, ik stond achter hem. Ik zou hem tonen wat onvoorwaardelijke liefde was, want ik, ik hield onvoorwaardelijk van hem, of hij nu van mij hield of niet! Dat zei ik tegen mezelf.

Maar toen hij het moeilijk had, kon ik er niet voor hem zijn. Ik werd beperkt door mijn boosheid voor wat hij mij had aangedaan. Mijn boosheid was een wereld geworden waarin ik me veilig voelde. Ik was bang dat te verliezen wat ik zorgvuldig had opgebouwd. Ik kon onmogelijk de stap nemen om weer opnieuw van hem te gaan houden. Mijn zogenaamde onvoorwaardelijke liefde was een valse illusie. Ik dacht dat als ik onvoorwaardelijk van hem hield, het niet hebben van aards contact (zien, spreken, aanraken of ruiken) een contact zou creëren op spiritueel niveau; ik zou onvoorwaardelijk voor eeuwig van hem houden. Het werd een obsessie. Het werd een dwang. Mijn verlangen naar hem overheerste alles. Ik kon niet meer leven. Het maakte mij niets meer uit. Ik wilde niemand zien, ook hem niet. Ik sloot me af van alles. Want ik wilde mijn liefde vasthouden. Ik wilde het beeld wat ik van hem had vasthouden voor eeuwig. Zijn gezicht, zijn houding, zijn bewegingen en zijn stem. Het was me zo lief. Ik was bang dat als ik hem weer zou ontmoeten mijn beeld van hem aan diggelen geslagen zou worden. Dat ik zou zien dat hij helemaal niet zo was zoals ik hem had gecreeërd in mijn gedachten.

Tot het me op een dag duidelijk werd; het is makkelijker om een droombeeld, een ideaal lief te hebben dan de harde werkelijkheid onder ogen te komen. In feite was ik diep in mij bang dat mijn liefde niet zo onvoorwaardelijk zou zijn, als ik mezelf had voorgenomen en dat een ontmoeting met hem mijn liefde en mijn droombeeld zou veranderen. De angst dat mijn ogen met een geweld geopend zouden worden, was zo groot dat ik me wilde verstoppen. De idee dat hij niet kan voldoen aan het beeld wat ik had, deed mij pijn. Ik wilde niet dat hij van zijn voetstuk af zou vallen, ookal gooide ik hem er regelmatig vanaf. Elke keer herstelde ik zijn voetstuk weer. Het was makkelijker om op een afstand te zeggen dat ik hem liefheb met al zijn beperkingen dan dat ik hem werkelijk probeer lief te hebben. Het is veilig om te denken dat de enige factor die mijn liefde kan beïnvloeden ikzelf ben. Dus was het uitgesloten dat ik ooit contact met hem zou hebben. Nu weet ik dat ik geen vertrouwen in hem had.

Ik dacht ooit dat de hoogste vorm van iemand liefhebben de onvoorwaardelijke liefde was waarbij ik geen aanspraak maakte op zijn tijd. Een liefde waarvan ik geen verwachtingen had.
Nu begin ik langzaam te beseffen dat onvoorwaardelijke liefde inhoudt dat ik mezelf accepteer met mijn fouten en de ander accepteer zoals hij is. Onvoorwaardelijke liefde is durven vragen om liefde, haar weggeven en haar weer te ontvangen. Het is een cirkel. Een energie die stroomt en stroomt, net als het water van de zee. Het heeft geen zin om het in te dammen. Op een dag neemt de zee weer terug wat aan haar behoort. Ze overlegt niet. Nooit. Ze is er. En ze is er ook weer niet. Onvoorwaardelijke liefde is bij hem durven te zijn om hem weer los te laten. Durven aanspraak te maken op zijn tijd zonder het te claimen. Geen oplossingen aandragen voor zijn problemen, maar vertrouwen hebben in hem en mezelf.

Onvoorwaardelijke liefde is een balans die continu doorslaat en tegelijkertijd eeuwig in evenwicht is. Ongrijpbaar en onbereikbaar en op hetzelfde moment zit het besloten in mezelf.

© Koningin der Decadentie

Permalink 1 Reactie

Narcissus 2

16 maart 2008 at 3:42 pm (Griekse Mythologie, Overpeinzingen) (, , , , , )

Ze had zich teruggestrokken in de achterste kamer van het huis. Ze was de aandacht moe. Het voelde alsof iemand anders in haar lichaam was gekropen en haar leven had overgenomen. Het kostte haar te veel energie. In de afgelopen week had ze een presentatie gehouden over haar successen. Vlak erna had ze zich dankbaar gevoeld. Ze wist dat zij haar successen te danken had aan hem. Als hij haar destijds niet had afgewezen, had ze nooit de drang gevoeld zich te bewijzen. Ze had het allemaal gedaan voor hem, zodat hij zou zien dat hij iets kostbaars aan de kant had gezet. Hij was niet eens aanwezig geweest. Hij wist niet eens dat ze een poging ondernomen had te schitteren. Het was zoals het altijd was. Hij was niet geïnteresseerd in haar.

Nu ze alleen was, had ze spijt dat ze de presentatie had gedaan. Ze had het gevoel dat ze, zodra ze op de voorgrond trad, de controle kwijtraakte over haar leven. Ze had een enorme angst om de grip te verliezen zodat ze niet meer weloverwogen en goeddoordacht haar acties kon kiezen. Het ging haar te snel. Dat was ook de reden waarom ze met schrijven was begonnen. Schrijven gaf haar de kans haar leven te orderen en het te perfectioneren.

De kamer – of wat er nog van over was – had ze opgeruimd en schoongemaakt. Na uren boenen had hij haar een glanzende tegelvloer als beloning gegeven. In het midden van de kamer ging ze zitten. Om de lucht te reinigen stak ze een wierookstokje aan. Het stond voor haar. Terwijl ze naar de rook keek die langzaam in kringetjes zijn weg naar boven vond dwaalde haar gedachten af naar hem.
Ze zag hoe de rook van het wierookstokje spiegelde in de tegelvloer. Hij was haar spiegelbeeld. Elke keer als ze bewonderend naar hem keek wist ze wat ze moest veranderen aan haarzelf om meer succes te krijgen. Met de bewondering kwam ook de afgunst. Het schipperde constant tussen die twee emoties; afgunst en bewondering. Iemand had haar niet zo lang geleden gezegd dat hij best jaloers was op de dingen die ze deed. Eerst had het haar trots gemaakt. Het was een teken dat haar successen tot hem waren door gedrongen. Daarna overviel haar een deprimerend gevoel. Ze wilde niet dat hij jaloers was. Ze had het voor hem gedaan. Liever had ze het samen met hem gedaan. Wat had het voor nut dat hij jaloers was op haar? Dat maakte de kloof tussen hen alleen maar groter. Net als de rook die opsteeg in de spiegelende vloer. De afstand tussen beeld en spiegelbeeld werd met elke zuchtje wind groter. Het werd haar duidelijk. Als hij haar spiegelbeeld was dan zouden ze nooit bij elkaar kunnen komen. Wat ze voor hem voelde was enkel eigenliefde. Zij waren samen Narcissus.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Zielsveel

15 januari 2008 at 8:17 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , )

Ze hield van hem. Ze hield zielsveel van hem. Het was niet zijn lichaam wat ze begeerde, want dat stond haar niet aan. Het waren niet de dingen die hij deed, want in haar ogen maakte hij een puinhoop van zijn leven.
Het was de blik in zijn ogen als hij haar aankeek. Het was zijn stem als hij haar naam zei.
In zijn nabijheid was ze simpel wie ze was. Eén en al aandacht voor hem.
Maar als hij weer weg was voelde zij zich verloren, geämputeerd en afgesneden van haar levensbron. Het kostte dagen om zich weer één te voelen met haarzelf. Daarom wilde ze hem niet zien. Hij raakte haar diep van binnen. Hij veranderde haar wezenlijk.

© Koningin der Decadentie

Permalink 1 Reactie

Haat

15 januari 2008 at 7:59 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , )

Terwijl ze de kibbelende vogeltjes op het terras bestudeerde, dacht ze aan de keer dat hij haar had afgewezen. Hoe durfde hij haar dramatisch en kinderlijk te noemen. Hij was degene vol drama en een klein kind. Niet zij. Haar gedachten begonnen te razen: “Als hij zou weten wat ik voor hem heb gedaan. Hoe ik mijn hart uit mijn lichaam rukte om mijn boosheid niet te tonen. Hoe ik mijn bittere tranen verborg in een poel van zwart verdriet waarin ik het liefst had willen verdrinken, maar ik bleef zwemmen. Hoe ik het intense verlangen in mezelf hield om hem niet lastig te vallen met mijn passionele liefdesbetuigingen. Dat alles deed ik alleen maar zodat hij zich zelfverzekerd zou voelen in mijn aanwezigheid. Inmiddels weet ik dat zou ik in zijn nabijheid schreeuwen, in woede uitbarsten of hysterisch huilen. Het zou hem niets uitmaken. Hij is zo ingenomen met zichzelf dat hij niet begrijpt wat het inhoudt om deze gevoelens te hebben. Hij is zo ijdel. Hij weet niet wat het is om weg te zinken in de dramatische ellende die hij zelf geschapen zou hebben.
Hij hoeft me niet te redden. Ik heb zijn uitgestoken hand niet nodig. Dit keer red ik mezelf wel!”
Haar boosheid voelde zinloos aan. Hoe vaak had ze dat al bedacht. Elke keer als ze in radeloze woede de grond onder haar goed had aangestampt zodat het een solide basis zou vormen voor haar ego, kwam ze hem weer tegen en verwijderde hij zonder enige moeite de aarde onder haar voeten. Ze zonk steeds dieper en dieper. Een eindeloos verhaal. Een bodemloos moeras. Het is onmogelijk om liefde te voelen voor een man die enkel oog heeft voor zijn eigen spiegelbeeld. Ze haatte hem. Ze haatte hem zo intens.
Dat had ze hem toen moeten zeggen.

“Nee”, bedacht ze zich, “er is een reden waarom ik hem heb ontmoet.” Zou het echt zijn dat hij haar tweelingziel was? Dat zij, voor zij in de stof waren wedergekeerd, elkaar beloofd hadden om elkaar te prikkelen zodat zij zich bewust zouden worden van het Leven en dat zij zouden leren wat het is om iemand onvoorwaardelijk lief te hebben? Dat zij oprecht zouden kunnen zeggen dat zij van elkaar hielden ook als zij dachten dat het niet zo was? Dat zij van elkaar hielden ondanks alles? Waarom toonde hij dan nooit zijn gevoelens?
Al haar voornemens om hem onvoorwaardelijk lief te hebben, vielen in het niets. Ze kon niet zijn wat zij had beloofd. Op aarde golden blijkbaar andere wetten, regels en beperkingen. Ze kon niet onvoorwaardelijk liefhebben. Hem steunen zonder enige voorwaarden. Nu het moment was gekomen om tot een verzoening te komen, kon ze niet de stap maken. Ze zat vast in haar werkelijkheid. Gevangen in haar eigen ideeën. Ze wilde niet losbreken. Hoe groot de beloning ook zou zijn. Ze kon het niet. Het was makkelijker om hem te haten.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Welkom

13 januari 2008 at 7:17 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , , , , )

De tuin rond het huis was één al verdord. Struiken met doornen schermden het huis af van de buitenwereld. De enige weg naar het huis was dwars door de struiken. De tuin van Hades, noemde zij het. Het was de wind die fluisterend het verhaal van het huis vertelde: ”Kom, er is een wereld in mij, donker en duister, stil en sereen. Je kunt niet binnendringen. Doornen bewaken mijn ziel. Maar mocht je willen komen. Wees gerust en vergeet vooral niet je geduld. Want die wereld in mij doodt enkel de Tijd.”

Anna wist hoe het voelde om buitengesloten te worden. Om nooit een deel te zijn van een groep. Ze was nergens welkom. Ze voelde zich nergens veilig. Ze was niet van deze wereld. Nooit voldeed ze aan de verwachtingen van anderen. Ze had geprobeerd zich aan te passen. Te zijn zoals de anderen. Een gehoorzame dochter, een lieve hartsvriendin, een partner voor het leven. Nooit was ze in de ogen van de ander wat ze had moeten zijn. Altijd waren er weer de kritieken en de verwijten. Zo voelde Anna het.
Toen ze bij hem kwam had ze het gevoel dat ze thuis kwam. Ze hoorde bij hem. Hij gaf haar in zijn gesloten armen een grenzeloos gevoel van vrijheid. Na al die vruchteloze pogingen van zoeken had zij haar kudde gevonden. Ze was één met hem. Bij hem kon ze iemand zijn. Ze voelde de belofte om in zijn veilige omgeving te groeien. Ze hoefde niet te voldoen aan allerlei zinloze waarden en normen. Voor haar lag de weg naar onvoorwaardelijke liefde open. Dat had ze echt gedacht. Maar ze was verblind. Ook hij liet haar vallen. Hij zei dat ze was tegengevallen. Weer was ze niet wat ze beloofd had te zijn.
Haar hele leven had ze op hem gewacht. Haar sprookjesprins op het witte paard. De man die haar zou redden uit haar zwarte ellende. Hoe vaak had ze hem ontmoet in haar meisjesdromen. Steeds kwam hij weer. Vol beloftes over het eeuwige geluk als ze zich aan hem zou overgeven. Ze had haar hart aan hem gegeven. Nu was er weinig over van zijn beloftes. En haar hart.

Het huis had een deur. De deur was altijd open. Ze kon naar binnen gaan als zij dat wilde. En ze kon naar buiten gaan. Wat ze nog prettiger vond, ze kwam nooit ongelegen. Nooit reageerde iemand geschokt. Ze was er altijd welkom.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Luister naar mij

13 januari 2008 at 6:59 pm (Overpeinzingen) (, , , , , )

“Ik lijk wel gek. Ik praat met een huis.” Ze lachte even toen ze dacht aan haar schooljuffrouw van vroeger die tijdens de rumoerige lessen uit pure onmacht riep: “het lijkt wel alsof ik tegen de muren en de deuren sta te praten”. Die was dus ook gek.
“Weet je, Huis, Ik ben nooit goed genoeg voor deze wereld. Ik denk dat er maar één persoon is die er altijd voor me zal zijn en dat ben ik zelf. Ik heb genoeg aan mezelf. Ik trek me terug in mijn eigen wereld. Mijn binnenwereld, waar iedereen wel lief en aardig voor mij zal zijn. Geen mensen die kritiek leveren. Niet op mijn kleding, mijn uitspraken of mijn handelingen. Voor die wereld ben ik er gewoon. Het is er alleen zo kaal en eenzaam. Er zijn geen uren, geen dagen. Niets verstrijkt.”
“Ik heb het gevoel dat mensen niet naar mij willen luisteren. Waarom lukt het mij nu nooit om echt contact te maken met iemand. Ik kom ze wel tegen, hoor, de mannen en vrouwen waarbij ik een prettig gevoel heb, waarvan ik denk dat wij gelijkgestemden zijn. Maar steeds weer laten zij mij in de steek. Of ze herinneren me eraan dat ik waardeloos ben. Ik praat veel te veel en zeg altijd de verkeerde dingen. Ik wil niemand kwetsen en toch doe ik het keer op keer. Dan denk ik niet na en zeg weer iets doms. Daar ben ik echt ontzettend goed in. Ik probeer mijn mond te houden. Zwijgen is goud… Ja, maar als iedereen zwijgt is het erg stil. En saai, vind je niet?”
Ze zuchtte. “Toch vreemd aan de ene kant heb ik dus het gevoel dat mensen niet naar mij willen luisteren en aan de andere kant horen ze het als ik weer eens een domme opmerking maak. Dan luisteren ze opeens wel. Vreemd. Mensen luisterden eigenlijk veel te goed naar mij.”
Dat ze niet naar haar luisterde kon ze dus van het lijstje schrappen.
“Toch voel ik me onbegrepen en eenzaam.” vervolgde ze, “mensen begrijpen niet wat ik wil zeggen. Ze luisteren maar oppervlakkig en hebben direct hun mening klaar. Ze oordelen over mij zonder werkelijk te luisteren naar mijn boodschap. Ik wil dat ze me serieus nemen en echt luisteren naar mij.” Terwijl ze het zei, schrok ze er zelf van. “Is dat niet heel erg eng? Stel, dat mensen echt naar mij gaan luisteren, mij serieus gaan nemen en gaan proberen om te begrijpen wat ik zeg…” De gevolgen zouden rampzalig zijn. Elke keer zou iemand dan haar uitspraken op waarheid toetsen. ‘Dus je bedoelt dat …’. Nee, dat zou vreselijk zijn. Riep zij niet altijd dat mensen haar niet serieus moesten nemen, dat zij zomaar wat zei. Uit pure angst. Omdat als mensen echt alles zouden aannemen wat ze zei en daar eens goed over na zouden denken, dan zouden ze algauw tot de conclusie komen dat er absoluut geen consequentie of consistentie in haar uitspraken en gedachten zat. Dat ze eigenlijk behoorlijk dom was?
Ze wilde onbegrepen zijn. Ja, en dat eenzaam. Deed ze dat ook niet zelf? Wie verstopte zich nu in een vervallen landhuis, ver verwijderd van de bewoonde wereld? Bang om geconfronteerd te worden met wie ze werkelijk was. Hier was het heerlijk veilig. Geen spiegels, geen kritiek.
Daar moest ze ook eens over nadenken. Wie leverde eigenlijk het meeste kritiek? Was zij dat niet zelf? Altijd afwegend of wat ze deed wel goed genoeg was. Maakte zij zelf haar leven niet onmogelijk?

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Voorwoord

12 januari 2008 at 4:53 pm (Overpeinzingen) (, , , , , )

Dit verhaal is een samenvatting van alle dingen die ik dacht, maar nooit zei. Ik geloofde dat zolang ik de woorden in mij verstopte, zij geen werkelijkheid zouden zijn. Ik hield me in om de lieve vrede te bewaren. Omdat ik jou niet wilde kwetsen. En, geloof me, dat is nog steeds niet mijn doel.

Maar er is iets veranderd. Ik wil niet langer voldoen aan jouw verwachtingen. Ik kies voor mezelf. Dit is wie ik ben. Dit zijn mijn woorden. Ik heb geen intentie meer om hen in mij te houden. Neem ze tot je en besef dat zij de bron zijn van mijn bestaan.

Ik neem geen enkele verantwoordelijkheid meer. Ik heb je gewaarschuwd. Aan jou de keuze om mijn woorden te lezen of de stilstand te bewaren.

Liefs, Anna

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

De spin

12 januari 2008 at 11:00 am (Overpeinzingen) (, , , , , , , )

Ze bekeek de spin die over de muur liep. De oermoeder in de rol van weefster, die het lot weeft vanuit haar eigen lichaam. Het symbool voor de oneindige mogelijkheden van de schepping. Een schrijver is als een spin die met haar draden een web weeft waarin zij haar prooi gevangen neemt om hem te consumeren, bedacht ze. Zo maakt de schrijver een boek met zijn woorden waarin hij zijn prooi, de werkelijkheid, gevangen neemt om deze te consumeren. Beiden gebruiken hun prooi om zelf te kunnen groeien, om er beter van te worden.
Ze observeerde de spin die bezig was een miniscuul vliegje in haar web te weven. Zo voelde zij zich gevangen in zijn web. Hij had haar in zijn macht. Er waren dagen dat ze doelloos rond reed in de ijdele hoop een glimp van hem op te vangen. Ze wenste zo vurig zijn verschijning te zien dat het haar onrustig maakte. Maar elke keer als ze een auto zag van hetzelfde merk als hij bezat, kromp ze inéén. De angst sloeg toe dat het zijn auto zou zijn en dat hij haar zou zien. Ze wilde niet dat hij naar haar keek. Ze wilde niet bekeken worden omdat ze intens bang was voor zijn kritiek.
Hij zou denken dat haar beeld hem niet aanstond. Als ze maar het vermoeden had dat hij in haar buurt was dook ze weg in de anominiteit, waar zich veilig voelde. En toch stak het haar. Het vermoeden dat zij onzichtbaar was voor hem maakte haar woedend. Haar gevoelens waren in een eeuwige strijd. Ze wilde dat hij haar bewonderde, dat hij haar eeuwig aanbad. Maar als hij een poging ondernam om haar richting op te kijken raakte ze in paniek en vluchtte ze in het niets.
Ze wilde hem spreken en tegelijkertijd ook weer niet.
Ze wilde hem doorgronden. Ze wilde weten wat hij dacht. Het liefste wilde ze zijn gedachten beheersen.
Of was zij de spin? Misschien was dat haar reden om schrijver te worden zodat ze de werkelijkheid naar haar eigen hand kon zetten. Nu sloot ze zich op in een huis, verstopte zich voor de buitenwereld. De buitenwereld deed haar pijn. Die buitenwereld bracht haar binnenwereld in verwarring. In haar binnenwereld snakte ze naar rust en stabiliteit, maar elke keer drong de werkelijkheid weer bij haar binnen. Zoals hij steeds weer deed. Haar binnenwereld was bestemd om veilig en verborgen te zijn. Hermetisch afgesloten van de boze buitenwereld. Bewapend met een hart van beton en bestand tegen elke aanval van buitenaf, zodat het onmogelijk was om de stilte der dingen te doorbreken. Tot hij was gekomen. Met niets meer dan een onschuldige glimlach. Het was of alles begon te leven. Alles kreeg kleur. Ze had zich gelukkig gevoeld. Heel even had ze het niet erg gevonden dat de buitenwereld binnen was gekomen. Maar hij doorkruiste haar domein en liet haar achter met de puinhopen van complete verwarring. Chaos regeerde sindsdien. Ze dacht aan de vergankelijkheid van liefde. Dat Tijd alle wonden zou helen. Het zou jaren duren tot hersteld was wat hij in een paar seconden had verwoest. En toch, wat ze wenste was enkel weer te zien, zijn glimlach. Dat maakte haar woedend.
”Mijn God, dacht ze opeens, “Ik leef in een wereld die niet werkelijk bestaat. Ik heb hem zelf verzonnen.” Het gevaar loerde. Ze raakte gevangen in haar eigen web van illusies. Ze wist niet eens meer wat echt was en wat nep. Welke herinneringen ze had gemaakt en wat had er in werkelijkheid plaatsgevonden. De grens tussen fantasie en werkelijkheid was opgelost.

Ze had zichzelf wijs gemaakt dat hij gecharmeerd van haar was, omdat ze zich op de achtergrond hield. Ze viel hem niet lastig zoals andere vrouwen. Daarom wilde hij haar aandacht. Hij had haar afgewezen omdat hij het niet kon hebben dat zij niet spontaan haar liefde betuigde. Hij verlangde dat ze openlijk koos voor hem. Hij had zich laten leiden door de verhalen van anderen en wees haar af door te zeggen dat ze tegen was gevallen. Ze dacht dat hij stiekem had gehoopt dat ze dan wel haar liefde zou tonen. Dat ze zich aan zijn voeten zou werpen. Maar ze had niets gezegd. Ze was opgestaan en uit zijn leven gelopen. Een koningin laat zich niet kennen.

De lucht was lichtblauw behangen met zachtblauwepaarse wolken. De zon, nog niet klaar voor de dag, belichtte de wolken van achter de horizon en gaf hen een feestelijk goud randje cadeau. Weldra zou de zon de dag beginnen.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter