De droom
Hij verscheen in haar droom. Ze was op de school waar ze lang geleden op gezeten had. Er was een feest gaande. Ze wist dat hij daar ook was. Ze zag hem. Ze wilde hem zien en toch ook weer niet. Hem zien betekende dat hij haar ook kon zien. Stiekem keek ze naar hem. Hij was gekleed in een geruite broek en effen shirt. Niet echt volgens de laatste mode, maar hij kon van alles aantrekken en nog zag hij er fantastisch uit, vond zij. Terwijl ze zijn khaki-kleurige kleding bestudeerde werd zij zich bewust van de kleding die zij droeg. Ook zij droeg een geruite broek en een effen shirt. Maar haar kleding was niet in stijl zoals de zijne. Het waren schreeuwerige kleuren die niet bij elkaar paste. Ze raakte in paniek. Zo mocht hij haar niet zien. Hij zou denken dat zij geen kleurgevoel bezat. Iets wat haar opeens er belangrijk leek. Ze voelde zijn aanwezigheid; hij was heel dichtbij haar. Ze voelde dat hij naar haar keek. Ze zag zijn broek en shirt. Ze durfde hem niet aan te kijken. Ze probeerde weg te komen uit de ruimte waar hij was.
Toen ze veilig ver verwijderd uit zijn blikveld tot bedaren kwam, voelde zij zich schuldig omdat ze hem niet had durven groeten. Het voelde als een gemiste kans. Ze werd moedeloos van zichzelf. Ze zou nooit in het reine kunnen komen met hem.
De hele dag bleef haar droom haar achtervolgen. Het was haar schuld. Zij was degene die zich continu schaamde niet te voldoen aan zijn verwachtingen of liever haar eigen verwachtingen. Zij was degene die weg bleef van hem. Het was haar schuld.
© Koningin der Decadentie
Wraak
Ze deed haar best om uit zijn buurt te blijven. Ze probeerde openbare gelegenheden te mijden. Zeker als ze wist dat er een kleine kans was dat hij daar aanwezig zou zijn. Het liefste sloot zij zich op in haar huis. Ver weg van zijn wereld. Ze wilde echter niet dat anderen zouden denken dat zij hem vermeed. Voor de buitenwereld was er niets tussen hen. Er waren momenten dat ze verplicht was om haar gezicht te laten zien aan die buitenwereld. Ze ging met tegenzin. Bang dat hij er ook zou zijn en dat hij haar zou aanspreken. De herinnering aan het laatste gesprek stond in haar geheugen gegrift. Ze had voor hem gestaan en had geen passende woorden kunnen vinden. Dat wilde ze nooit meer meemaken. Ze moest bij hem weg blijven.
Toen ze verwikkeld was in een gesprek, zag ze hem opeens in de menigte. Ze schrok. Ze probeerde zich te beheersen en in haar gesprek te blijven. In haar binnenste was een gevecht gaande. Ze wilde weg. Na een tijdje keek ze op het horloge van haar gesprekspartner. “Is het al zo laat?”, riep ze gemaakt uit. “Oh, ik moet er nu echt vandoor.” Ter plaatse verzon ze bezigheden die nog gedaan moesten worden waarmee zich zou kunnen verontschuldigen. Ze probeerde ongemerkt de gastvrouw te localiseren, zonder in zijn richting te kijken. Haar schrik was groot toen ze zag dat ze langs hem moest om haar te bereiken. Met een rechte rug liep ze naar de gastvrouw. Vanuit haar ooghoeken zag ze hoe hij een poging ondernam om haar aan te spreken. Ze negeerde zijn pogingen en kwam bij de gastvrouw. Met haar meest charmante glimlach nam ze afscheid om vervolgens uit de menigte te stappen. Een paar stappen verwijderd kon ze opgelucht adem halen. Het was haar gelukt om zonder gezichtsverlies te verdwijnen.
Toch voelde ze zich naar. Het bleef in haar hoofd hangen. Ze wilde hem niet negeren. Ze wilde hem geen pijn doen. Maar dit was de enige wijze die ze kon bedenken om zichzelf geen pijn te doen. Ze walgde van haar gedrag.
Na een paar dagen voelde ze zich beter. Daar had ze mooi een eind aan gemaakt. Die zou geen contact meer met haar opnemen. Hij zou achterlijk zijn als hij nog contact met haar zocht. Zo hardleers zou hij toch niet zijn? Haar leven was weer van haar! Een jubelstemming nam bezit van haar. Ze voelde de macht die ze had. Dat vond ze heerlijk. Ze genoot van de gedachte dat hij haar had willen groeten, maar dat zij de controle had om te beslissen wanneer hij haar mocht groeten.
Het duurde een paar weken voordat ze hem weer tegen kwam in het verkeer. Zijn auto herkende ze direct. Hij keek niet naar haar. “Goed zo,” dacht ze, “die heeft zijn les geleerd”. Maar het zat haar niet lekker. Elke keer moest ze weer denken aan het moment. Ze begon zich af te vragen of hij haar opzettelijk had genegeerd. Ze voelde zich niet gezien. Misschien had hij haar niet gezien. Ze durfde het niet toe te geven, maar eigenlijk wilde ze dat hij naar haar keek. Misschien was ze voor hem niet belangrijk meer. Dat krenkte haar.
© Koningin der Decadentie
Meditatie
Ze wilde klaar met hem zijn. Ze besloot de raad van het oude vrouwtje op te volgen en te mediteren. Tijdens de meditatie zou ze visualiseren dat ze afscheid van hem nam. Ze ging zitten op de koele grond en ademde rustig in en uit. Toen ze zich stil en sereen voelde, visualiseerde ze een ballon. Elke keer probeerde ze haar negatieve gedachten in de ballon te blazen. Ze nam afscheid van hen alle, zodat hij haar niet langer dwars zou zitten. De ballon werd groter en groter. Na een paar minuten was de ballon groot en gevuld. Ze legde er een denkbeeldige knoop in. Terwijl ze nogmaals afscheid nam en zichzelf overtuigde dat die gedachten niet langer meer van haar waren, liet ze de ballon los. Ze keek vredig toe hoe de ballon omhoog steeg. Het voelde goed.
Haar visualisatie werd wreed verstoord toen hij plots binnen stapte. Met een speld prikte hij bruusk de ballon lek. De ballon knalde luid en fladderde naar alle hoeken van de kamer: “Je bent nog lang niet klaar met mij!”
Ze voelde zich leeg en teleurgesteld. Zelfs in haar visualisaties intimideerde hij nog.
© Koningin der Decadentie
De Waarheid
Op het bankje zat het vrouwtje, klein en tenger van stuk, gekleed in een helderwit gewaad. Haar haren, door de tijd tot puur zilver geworden, waren strak gebonden in een klein staartje in haar nek. Haar huid was zacht, nagenoeg rimpeloos doorzichtig wit. Zoals ze daar zat in de eerste zonnestralen, haar broze handen vredig in haar schoot gelegd kijkend naar het ruwe maagdelijke landschap om haar heen, was het alsof God was neergestreken om te genieten van zijn schepping.
Anna parkeerde haar auto. Terwijl ze uitstapte viel haar oog op de dorre grond waar een dode hagedis een mooi grafisch patroon vormde. Anna bleef even staan. Ze bewonderde de lijnen van de platte hagedis. Er was enkel een afdruk van hem. Vervolgens liep ze naar het bankje en ging ze naast het vrouwtje zitten. Ze wist waarom Anna gekomen was.
“Och meisje,” zei ze lachend nadat Anna haar verhaal had verteld, “er is niets heerlijker in de wereld dan hopeloos verliefd te zijn, vind je niet? Weet je,” zei ze terwijl ze teder de hand van Anna pakte en wat dichter naar haar toe schoof, “liefde zorgt dat de wereld draait. Liefde is een energie die rechtstreeks van God komt. Ookal heeft hij je afgewezen, het maakt niets uit. Je weet nu dat je in staat bent om iemand lief te hebben. Dat is wat hij jou geleerd heeft. Het vermogen om te houden van een ander. Is dat niet het grootste geschenk dat hij jou had kunnen geven? Kijk naar hem met liefde. Hij is je leraar, je begeleider. Voor je in dit leven stapte heb je met hem afgesproken dat hij je deze les zou geven. Wees toch niet boos op degenen die je helpen je leven zin te geven.”
De woorden gaven Anna geen troost maar maakte haar boos en opstandig.
“Nee,” schreeuwde ze, “liefde is niet zoetsappig en mooi. Liefde is lijden.” Anna vervolgde: “Geloof me, als mijn liefde voor hem een doodgewoon verliefdheidje was geweest. Iets waar ik jaren later nog met weemoed aan terug zou denken om te verzuchten wat een fijne tijd het was. Iets waardevols waar ik op stormachtige dagen stil over zou kunnen dromen. Dan was ik hier niet gekomen. In mijn buik zijn geen vlinders te bekennen die zoet zweven bij het denken aan de tijd die we samen hadden of bij het zien van zijn aanwezigheid. Het doet me niet blij en sprankelend glimlachen. Mijn wereld kleurt niet zachtroze. Gedachten aan hem maken mij niet simpelweg lief en gelukkig. Ze vernederen me. Elke keer als ik hem zie of aan hem denk, overvalt me de keer dat hij me afwees. Elke herinnering wordt overschaduwd door een aanval van pure woede en misselijkheid veroorzaakt door een duister en pijnlijk gevoel van vleermuizen die raaklings in mijn maagzuur scheren tot ik vol afschuw smeek om genade. Het maakt me duivels en scherp, gereed om de eerste persoon die in mijn buurt durft te komen om te brengen met mijn zwarte cynisme.” Ze rukte haar hand los.
“Mijn gevoelens zijn zo tegenstrijdig. Ik voel hem als één met mij. Elke keer als ik mezelf zoek, kom ik bij hem uit. Dan blijkt dat ik meer hem ben en hij meer mij is, dan ik mezelf ben. Alles wat hij doet, voel ik. Zijn leed is de mijne. Zijn vreugde is mijn geluk. Samen zijn we één. Onze ziel wil weer één zijn. Hij is mijn Tweelingziel. Maar als ik hem zie, raak ik in paniek. Alleen het idee al om hem te ontmoeten, maakt me misselijk. Een confrontatie waar ik niet op zit te wachten. Ik wil hem niet meer zien. Ik kan de stap niet nemen. Het conflict tussen ons is een innerlijke strijd in mij geworden.”
“Maar wat als je hem weer tegenkomt?”
“Wat ik niet zie, dat is er niet.”, antwoordde Anna.
“Of je doet alsof je hem niet ziet”, zei het vrouwtje fel, “om hem dwars te zitten. In de hoop dat hij de strijd zal aangaan. Je pest, manipuleert, negeert net zolang tot hij zal reageren. Tot hij in woede uitbarst. Dat is natuurlijk makkelijker voor jou. Hij begint en jij denkt je handen in onschuld te wassen. Jij denkt dat jij het slachtoffer bent. Dat hij jou intimideert. Als ik jou was zou ik er niet vanuit gaan dat deze tactiek werkt. Je zult je lelijk branden. Je weet niet uit welk hout hij gesneden is met die onzin over zijn ziel is mijn ziel. Je kent hem niet eens. Hij is gewoon een persoon die je tegen bent gekomen. Nu projecteer je op hem een heel karmisch verleden, omdat je wilt dat jouw leven zin heeft. Hij heeft er niets mee te maken. Hij is een onschuldige voorbijganger. Laat hem met rust en zoek een hobby!”
Het vrouwtje zuchtte eens. Na een korte stilte zei ze iets vriendelijker: “Ik zal je een manier leren om hem los te laten. Heb je weleens gemediteerd?”
Het vrouwtje vertelde haar een simpele oefening die ze kon doen als ze alleen was en zich weer bekneld voelde door zwarte gedachten.
Terwijl ze terugliep naar haar auto, zag ze de hagedis weer die zijn weg gevonden had naar God. Nu lagen er nog resten van wat ooit zijn lichaam was geweest. Opeens werd het Anna duidelijk. De man – de relatie – was geen einddoel, het was een middel om te kunnen groeien. Om bij het Zelf te komen. Het vrouwtje had gelijk: hij was een voorbijgaande factor. Het begrip Tweelingziel behoorde tot het land der fabelen. Er was geen andere helft van haar die hier op aarde rondliep. Volmaaktheid zat in het Zelf. Het kon zijn dat ze iemand ontmoette die haar een duw zou geven. Maar om haar eigen volmaaktheid te vinden moest zelf de verantwoordelijkheid nemen. Het had geen zin om te wachten tot hij haar problemen zou oplossen.
© Koningin der Decadentie
De helende Tijd
Bovenop de heuvel stond stil het huis. Het verroerde zich niet. Het was niet bang voor de donkergrijze lucht die het van achter probeerde te bespringen en gevaarlijk dreigde met zware onweersbuien. Het stond er rustig te wachten in het felle licht van de brandende zon. Op haar komst. Buiten adem klom ze heuvel op. Vlak voor zijn trap bleef ze staan. Uit respect. Ze bekeek het vervallen huis dat vol trots elke storm had weerstaan. Rechtop in de wind die het steeds weer vanuit het Noordoosten leek aan te vallen. Het gaf geen krimp. Het stond daar zoals het al eeuwen daar stond. Bovenop de heuvel. Ooit gevuld met rennende kindervoeten was het nu geworden tot een ruïne bezocht door trage leguanen en eenzame dromers zoals zij.
Haar blik viel op twee leguanen die op hun dikke buiken naar de galerij probeerden te vluchten voor de komst van de indringer. Ze bestudeerde de gifgroene beesten. Hun buiken waren gevuld met eieren. Zwanger van de toekomst. Terwijl ze de trap op klom overpeinsde ze het begrip Tijd. “Tijd heelt alle wonden”. Ze glimlachte toen ze de ruïne in ogenschouw nam. “Weinig helend”, zei ze tegen het huis, “je verf is gebladderd, je hout is verrot, je stenen zijn verbrokkeld. De dagen zijn keihard door je dak gevallen.
Ooit was je kolossaal en impossant en keken jouw bewoners naar je op. Je werd geroemd om je schoonheid. De rijke dames en heren die in jou een schuilplaats vonden voor de nieuwsgierige zon.” Als ze haar ogen sloot kon ze het ruisen van de rokken nog horen. De bel die het souper had aangediend. Nu zochten de twee dikke dames smoezend hun weg. De galerij was geheel ontluisterd.
Wij zijn hetzelfde. Jij en ik. Vroeger was ik de koningin. Ik heerste over alles en iedereen. Als ik ergens binnentrad werd er gefluisterd en gekeken. Nu maakt het allemaal niets meer uit. Mensen weten het niet meer. Niemand kijkt meer. Niemand vraagt meer.
© Koningin der Decadentie
Heilig relikwie
In een hoek lag een verfrommeld pakje waarin ooit sigaretten hadden gewoond. Achteloos weggegooid. Het was zijn merk. Een heilig relikwie. Ze dacht terug aan de keer dat ze veilig in zijn armen had gelegen en hij vanuit zijn borstzak precies zo’n pakje had getoverd om tevreden zoals ze daar lagen het moment van geluk te verhogen door een sigaret te roken. Een gewoonte die zij verafschuwde, maar omdat het bij hem hoorde, tolereerde. Ze had het pakje van hem overgenomen en de inhoud bestudeerd. Vervolgens een sigaret eruit gehaald en omgedraaid weer terug gedaan. Hij had haar niet begrijpend gevraagd waarom ze dat deed. Voor hem was dat een daad van chaos. Ze had gezien dat zijn handen jeukten om de sigaret weer om te draaien. Ze had het pakje gesloten, lief geglimlacht en gezegd dat elke keer als hij een sigaret opstak, de omgedraaide sigaret zou zien en aan haar zou denken. Een glimlach en een kus op haar voorhoofd was zijn antwoord. Terwijl hij de sigaret weer had omgedraaid en het pakje weer terug in zijn borstzak had gedaan, had hij gefluisterd dat hij geen omgedraaide sigaret nodig had om aan haar te denken. Vol geluk was ze dichter tegen hem aangekropen.
De herinnering maakte haar warm en koud tegelijk. Een rilling liep ijskoud over haar rug. Ze wendde haar hoofd af in een poging de herinnering van zich af te schudden. Dat was nog ervoor. Voor hij vond dat ze was tegengevallen.
© Koningin der Decadentie
Na twee jaar
Opeens, na twee jaar, stond hij weer voor haar, zoals altijd onberispelijk correct met de juiste woorden op zijn tong. Met zijn aanwezigheid overviel hij haar. Hij was er plots en keek haar doordringend aan alsof hij haar ziel wilde blootleggen. Zijn intensiviteit raakte elke cel in haar lichaam. Haar instinct werkte direct. Intens bang dat hij boos zou zijn omdat ze gefaald had dat te zijn wat hij van haar verwacht had. Zijn afwijzing lag haar, na twee jaar, nog steeds zwaar. Dat ze uitgerekend hem teleurgesteld had. De man die zij met hart en ziel lief had. Haar tweelingziel. Ze wilde vluchten voor de hevige storm van gevoelens die in haar opkwam.
Haar sociale omgangsvormen, ooit aangeleerd door haar moeder, weerhielden haar. Een simpel beleefdheidsgesprekje moest lukken, dacht ze. Dus gooide ze haar gekunstelde charmes in de strijd en minzaam glimlachend zei ze: “wat leuk om je na al die jaren weer te zien!” Zijn gezicht veranderde in een naderende onweersbui. Woest siste hij: “en waarom groette je me dan net niet?” Om er vervolgens milder en bijna wanhopig aan toe te voegen: “herkende je me dan niet?” Ze voelde zijn pijn. Haar pijn. Ze wendde haar blik af om zijn verwijten niet te zien. Mijn God, bedacht zij zich, hij had me net zo goed knock out kunnen slaan. Het zou hetzelfde effect hebben gehad.
Terwijl ze heftig worstelend stond te twijfelen of nu het moment was gekomen om hard weg te rennen of juist iets te zeggen om zijn toorn te keren, ondernam hij een poging om het gesprek, dat hij net vakkundig had vermoord, nieuwe leven in te blazen. Liefdevol vroeg hij of ze ook van Mozart hield. Een domme vraag, vond ze, waarom zou ze aanwezig zijn op een concert van Mozart als ze er niet van hield. Maar ze vergaf hem zijn onhandigheid. Ze keek hem recht in zijn ogen. Al eens eerder was ze getroffen door de zachtheid. Terwijl hij haar nog steeds indringend aanstaarde, was zijn blik niet boos of kwaadaardig. Zijn lichte ogen schitterden dof. Ze kon er niets vinden dat niet op liefde leek. Ze werd overwhelmd door haar enorme liefde voor deze man. Hij had haar in zijn macht.
Ze poogde het gesprek voor te zetten op basis van lieve koetjes en kalfjes. Wetend dat het een vreugdeloze poging was. Tussen hen was er geen simpel lichtvoetig gesprek mogelijk. Elk woord werd gewikt en gewogen. De zwaarte van hun woorden doorboorden elke poging tot contact. Het was alles of niets. Ze deed haar best om met woorden zinnen te vormen die pasten binnen de dialoog. Wat ze zei raakte kant noch wal. Het waren woorden die wegdreven zonder enige betekenis of werkelijkheid. Ze wilde hem van alles zeggen, maar ze kon geen klanken bedenken om de dingen duidelijk te krijgen. Ze wilde hem laten weten wat ze voelde en wat ze zag in zijn ogen.
Hij hield haar blik stevig vast alsof hij daarmee de tijd wilde stopzetten om een interbellum te creëren waarin alleen zij tweeën bestonden. Het lukte haar niet om de juiste woorden te vinden. En eigenlijk was ze opgelucht toen iemand bij hen kwam staan en de betovering verbrak door wat zinloze opmerkingen te maken over de organisatie van het concert. Er volgde een wazig en volkomen zinloos gesprek waarin ze moeite deed om intelligent over te komen, maar zeker wist dat alles wat ze zei het domste was wat ze ooit had uitgekraamd. Elke keer als zij iets zei, beweerde hij het tegendeel. De oorlog was weer begonnen.
© Koningin der Decadentie
Narcissus
Ze zag hem. Hij was nog geen tien meter van haar verwijderd. In het volle zonnelicht daalde hij nonchelant het trapje af. Haar maag versteende. Ze voelde geen behoefte aan een ontmoeting. Ze wilde hem niet zien. Of liever, ze wilde niet dat hij haar zag. Ze verborg zich in de schaduw van de bomen. Hij zag haar niet. Hij had blijkbaar geen benul dat ze daar stond. Of dat ze bestond. Ze maakte geen deel uit van zijn leven. Als hij haar zou zien zou hij hooguit vol arrogantie zijn hand opsteken. Als de situatie dat toeliet. Het betekende niets. Gewoon beleefd groetend. Vervolgens zou hij zijn weg weer vervolgen alsof er niets was gebeurd. Alsof hij niet net oog in oog had gestaan met de dood.
Vanuit haar schuilplaats keek ze toe hoe hij vervolgens behendig in zijn onophoudelijke blinkende auto stapte. Zijn kleding zat immer vlekkeloos perfect. Alsof hij zojuist uit een catalogus van exclusieve mannenkleding was gestapt. Ze probeerde hem voor te stellen hoe hij uit zijn luxueuze auto zou stappen als hij met 120 kilometer per uur frontaal tegen een boom gebotst zou zijn. Maar nee, ook in die fantasieën zat zijn kleding netjes recht. Zelfs zijn haren waren geen centimeter verschoven van hun plaats. Vast en zeker was hij vroeger zo’n jongentje geweest dat tijdens feestjes rustig op een stoel was blijven zitten. Ze zag hem al zitten, braaf met zijn armpjes over elkaar. Een oase van rust tussen de jongens eeuwig stoeiend en schreeuwend om hem heen. Hem vol vuur vragend om mee te gaan, in bomen te klimmen en over sloten te springen. Hooghartig hoorde ze hem al naar de kinderen lispelen: “dan wordt mijn kleding vies.” Terwijl hij hen nagekeken zou hebben met in zijn ogen brandend het verlangen om net als hen te mogen ravotten. Maar de gedachten aan de keiharde klappen van zijn vader en scheldtirades van zijn moeder die volgden als hij thuis kwam met gescheurde kleren, zouden boven zijn hoofd gehangen hebben. Zo had hij in zijn jeugd het talent ontwikkeld om afwezig te dromen. Terwijl hij lief op zijn stoel had gezeten, had hij vast de stoutste avonturen beleefd en had hij vol moed zijn grootste vijanden verslagen. Eenmaal volwassen was hij het brave jongetje gebleven. Altijd onberispelijk gekleed, nog altijd dromend op zijn stoel. Arrogant, omdat iets anders hem nooit was geleerd, leverde hij kritiek op de risiconemende idioten die nog steeds worstelend rond hem heen poogden te voldoen aan de hoge verwachtingen van het leven. Zijn grootste vijand nu was zijn diepste verlangen om te zijn zoals hen die hij verachtte. Ze wist dat ook zij behoorden tot die groep personen. Het stak haar. Daarom negeerde ze hem. Honend noemde ze hem, Narcissus, de koning der arrogantie.
Zijn gebrek aan vriendjes vroeger had ervoor gezorgd dat het onmogelijk voor hem bleek om met mannen te kunnen werken, verzon ze. Hij had nooit geleerd hun taal te spreken en voelde zich niet op zijn gemak bij de luidruchtige schreeuwende en opscheppende mannen. Bij vrouwen des te meer. Om hem heen was er altijd een kring van vrouwen die vochten om zijn aandacht. Vreselijk vond zij dat.
Ze was zo anders als hij. Als kind was zij degene die voorop rende. De aanvoerder van het kwaad. Altijd vol chaos en vies smerig. De schrik van de wasmachine en haar moeder, die zo vurig wenste haar dochter op te voeden in snoezige jurkjes. Geen smoezelige jurkjes. Nog steeds had ze moeite om de vlekken uit haar kleding te houden. Het was alsof haar blousen en rokken schreeuwden naar koffie, tomatenpuree en chocola. Zo verdomd aantrekkelijk dat koffie niet anders kon dan haar blouse te bespringen.
Gehard door de strijd, tranen verbijtend, vechtend met de jongens om het leiderschap, rolde ze door haar jeugd. Emoties tonen had ze al snel verleerd. Dat was voor zielige, zachte meisjes. Okay, ze was een meisje, maar zeker niet lief en gehoorzaam. Altijd op zoek naar de grenzen van het geduld van de volwassenen. Die krankzinnig werden van haar onmogelijk drukke gedrag en keer op keer in woede uitbarstten als ze weer eens iets had gedaan dat niet paste bij het gedrag van een meisje. Een dame, zoals haar altijd werd toegesnauwd: “Anna, wees nu eens een da-ame!”
Het had haar geleerd de dingen stil te doen. Zolang haar ouders haar niet hoorden of zagen kon ze doen wat ze wilde. Ze ging haar eigen gang. En dat deed ze nog steeds. Het was haar manier van doen. Ze voelde zich niet op haar plaats als ze voor het voetlicht stond. Dus zocht ze de schaduwen op. Wat niet eenvoudig was. Ze was niet een klein tenger meisje wat ze graag had willen zijn. Ze had te veel lichaam gekregen. Ze wist niet wat ze ermee aan moest. Het was gewoon te veel. Overal armen en benen die alle kanten opzwaaiden. Ze was langer dan de meeste vrouwen en – tot haar grote schrik – mannen. Ze voelde zich vaak een olifant in een porseleinkast. Als zij ergens binnenkwam en enthousiast de mensen begroette, vloog er soms spontaan een vaas naar de andere wereld. Ze kon er niets aandoen. Het ging vanzelf. Dus probeerde ze zich in te houden en als een stil muisje binnen te sluipen, zodat niemand verschrikt zou raken. Ze wilde het liefst ver buiten het blikveld van iedereen blijven en in het bijzonder buiten het zijne. Zij wilde zich verstoppen voor hem.
Het had geen zin. Hij werkte van binnenuit, zoals kanker van binnen de ingewanden opvreet om in een vergevorderd stadium terminaal te blijken. Pas te voorschijn komend als het kwaad al geleden was. Hij kroop onder haar huid en wroette net zolang door. Bij alles wat ze deed hoorde ze zijn kritiek. Woedend werd ze van hem. Dat hij het lef had gehad om in haar leven te komen. Dat ze haar bewondering aan hem had gegeven. Dat ze zo dom had kunnen zijn om hem te vertrouwen. Ze had al niet veel op met mannen. Waardeloze wezens vond ze hen. Nauwelijks in staat om zoiets als gevoelens te hebben. Altijd op zoek naar een manier om een vrouw in bed te krijgen. Ze walgde van hen allemaal. Ook van hem. Ze haatte hem omdat hij met een gemak alsof het niets was gevoelens in haar losmaakte die ze niet wilde hebben. Zeker niet voor zo’n man als hij. Met enkel vrouwen om zich heen. Veel te veel concurrentie. Waarom zou hij aandacht voor haar hebben als er zo al tien vrouwen waren die zich vrijwillig kwamen aanbieden. Zo bijzonder was ze niet.
Ze grinnikte. Ze herinnerde zich het moment waarop iedereen zich had moeten presenteren aan de medestudenten. De één was nog meer bijzonder dan de ander. Elke student vertelde zo enthousiast over zijn kwaliteiten en talenten, dat ze er kotsmisselijk van werd. Ze hield niet van die personen, zich op de borst slaand, om aan te kondigen dat zij de beste waren van hun soort. Als tegenactie had zij zich gepresenteerd als een gewoon meisje, dat in een gewone stad woonde, gewone ouders had en gewoon naar school ging. Daar was niets speciaals aan. Ze had de hele groep over zich heen gekregen. Ieder moest haar vertellen dat ze wel bijzonder was, dat ze talent had. Verward had ze gezucht onder zoveel onbegrip.
Als iedereen bijzonder zou zijn, wat bleef er dan nog voor haar over? Waarom zou ze dan zo hard werken om beter te zijn dan iedereen, om met kop en schouders boven het gewone volk uit te steken. De enige manier om de top te bereiken was om beter dan iedereen te WORDEN! Pas dan kon zij zich ontwikkelen en verbeteren tot ze bijzonder zou zijn.
Maar nu was ze net als iedereen gewoon gewoon. Er zou een tijd komen dat iedereen verbaasd zou zijn over haar kwaliteiten. Dan zou ze uit haar schaduwen treden. Vol voor het voetlicht. Iedereen zou zien hoe bijzonder ze was, maar vooral hij. Hij zou aan haar voeten liggen. En niemand had dat, natuurlijk, van haar verwacht. Dat was haar toekomst. Haar droom.
Toen de auto uit het zicht verdwenen was, stapte ze uit de schaduwen. Ze wenste hem een onmogelijke liefde toe. Dat hij verteerd zou worden door immens verdriet om zich niet compleet te voelen. Want zo bijzonder was hij niet.
© Koningin der Decadentie
De mens is wat hij van zichzelf maakt
Schoorvoetend stapte ze op hem af. Ze probeerde zo gewoon mogelijk te klinken terwijl ze hem vroeg hoe het met hem was. Hij leek verbaasd te zijn haar te zien. “Eh, zijn gangetje,” zei hij terwijl hij een andere kant op keek. Iemand riep hem. Hij keek haar verward aan: “Hoe is het met jou?” Een vraag die hij meer stelde uit beleefdheid dan uit belangstelling.
“Goed”, loog ze, “Ik vind je boek erg goed, was het moeilijk om een uitgever te vinden?”
Hij luisterde niet eens naar haar. Zijn aandacht was gevestigd op een aantal vrouwen die verderop klaar stonden om te vertrekken. Terwijl hij zich omdraaide met de intentie zich bij het groepje vrouwen te voegen, mompelde hij nog iets van “sorry, ik moet weg.”
Ze bleef staan. Keek toe hoe hij opging in het groepje en zich van haar verwijderde. In haar ontstond een onrust. Ze wilde hem achterna rennen. Ze wilde antwoorden op de vragen. Ze wankelde, zocht houvast en liet zich vallen op een bankje. Hoe kon hij zeggen dat zijn leven zijn gangetje ging. Haar leven stond op zijn kop. Het was alsof zij niets voor hem had betekend. Gewoon een toevallige passant, niets indrukwekkends.
Haar leven was tot een puinhoop geworden. Niets was meer hetzelfde. Haar hoofd bonkte vol vragen zonder antwoorden: “Waar ben ik de fout ingegaan? Waarom ben ik geen deel meer van hem?” Ze probeerde zich te concentreren op de mensen om haar heen. Ze moest niet denken. Dat maakte de chaos alleen maar groter. Het bleef dreunen: “Waarom is er hier, in mijn wereld, niets dat op liefde lijkt. Ik heb geen zin meer om te leven. Zonder hem. En toch komt er dag na dag. Buiten draait de wereld door. Alles wordt herboren. Maar ik, ik sta stil in dit leven…”
Ze moest weg van hier. Haar ogen brandden. Ze wilde niet dat iemand zou vragen of zich niet goed voelde. In een koorstige tempo zocht ze naar de uitgang. Ze moest ergens zijn waar niemand haar zag. Waar niemand haar tranen zou zien. Ze haastte zich naar haar auto. Misschien dat het rijden haar zou afkoelen. Haar gedachten dramden moordend door. Alsof hij naast haar zat, schreeuwde ze van woede: “Zie je dan niet hoe moeilijk het is. Ik probeer en probeer. Maar ik kan niet voldoen aan jouw eisen. Niets lukt. Ik draai rondjes om mezelf. Ik kom niet dichter bij jou. Je bent zo extreem kritisch. Al mijn pogingen om jou te amuseren belanden in het niets. Ik ben nooit goed genoeg voor jou. Wat ik ook verander. Als je me zou zien, zou je op mij neer kijken. Ik wil noch je medelijden noch je compassie. Ik wil je bewondering. En nee, ik wil niet horen dat het zijn gangetje gaat. Ik wil niet leven terwijl jij niet aan mij denkt.”
Ze moest deze gedachtenstroom stoppen. Het zou haar ondergang kunnen worden. Ze moest positief proberen te denken. Zich concentreren op de leuke dingen in het leven. Ze besloot om naar een strand aan de zuidkant van het eiland te gaan. Een vriendelijke parelwitte leegte versierd met hier en daar een groene palmtak. Door zonnige reisgidsen aangemerkt als het paradijs op aarde. Daar zou ze kunnen genieten. Daar kon ze één zijn met de uitgestrekte zee die liefkozend het strand zou strelen met haar witte golven. Zo zacht en lieflijk, een troost voor haar pijn. Daar zou ze met haar blote voeten in het gastvrije zand de rust vinden voor de chaos in haar hoofd.
Op de parkeerplaats stond één auto. Dankbaar omdat er niet veel mensen zouden zijn, stapte ze uit. Ze had geen behoefte aan blikken van anderen. Ze wilde alleen zijn en onzichtbaar. Haar oog viel op de inzittenden van de geparkeerde auto. Een verliefd stelletje innig in elkaar verstrengeld – twee mensen als één massa, wiens droom ze blijkbaar ernstig verstoorde. Als door een bij gestoken doken ze weg. Bang om betrapt te worden. Ze probeerde het niet te zien. Het was al te laat. Het gevoel drong tot haar door niet welkom te zijn. Niemand wenste haar aanwezigheid hier. Het stelletje wenste nu vast en zeker dat zij, de eeuwige indringer, snel weer zou verdwijnen alsof ze er nooit was geweest. Niemand wilde haar. Ze besloot het stelletje hun pleziertje te gunnen. Dat haar leven een puinhoop was, wilde niet zeggen dat ze de droom van anderen moest verwoesten. Ze liep terug naar haar auto. Verderop was nog een strand. Daar zou ze vast alleen zijn. En welkom.
Op deze parkeerplaats stonden geen auto’s. Er was nergens een teken van leven te ontdekken. De leegte lachte haar toe. Ze trok haar schoenen uit. Ze moest het warme zand onder haar voeten voelen. De brandende zon op haar hoofd. Ze wilde zich verbonden voelen met de aarde en de zee. Langzaam liep ze naar de waterlijn. Het groenblauw van het kristalheldere zeewater dat in de verte overging in rustgevend donkerblauw. Ze probeerde te genieten van elke stap die ze nam. Of ze zo de controle over haar leven weer kon nemen.
Aangekomen bij het water tuurde ze over de oneindige watervlakte naar de horizon. Vervolgens bestudeerde ze haar voetstappen in het natte zand. Ze stonden daar. Afgedrukt. Concreet aanwezig. De zee kwam en nam steeds een beetje. Vervaagde steeds meer haar voetstap. Tot er niets meer over was van de indruk die ze had gemaakt. Ze keek doelloos toe. “Is dit mijn leven?” vroeg ze zich af. “Zo zinloos. Een paar strelingen van de zee en er is niets meer van mij over. Ik maak geen indruk. Alles wat ik doe vervaagt voor het wordt opgemerkt. Ik ben nietig. Ik ben een schaduw van mijn beloftes en mijn dromen. En toch voel ik een pijn die groter is dan mijn bestaan. Mijn tranen kunnen niet uitwissen wat de zee zo gemakkelijk doet” Het bleef maar malen in haar hoofd. “Als ik doodga, weet niemand dat ik ooit heb bestaan.” Haar gedachten maakten haar krankzinnig. Ze kon hier niet meer zijn. Ze was niet welkom op deze wereld. Wat had haar leven voor zin? Vanaf dat ze een klein meisje was, had ze zich buitengesloten gevoeld. Op school was ze het buitenbeentje, altijd gepest. Dat had haar razend gemaakt en vastbesloten. Ze had zich voorgenomen om de beste te worden zodat iedereen rekening met haar zou houden. Iedereen zou bewondering voor haar hebben. Er zou een dag komen dat iedereen zou weten dat er geen betere was dan zij. Ze werkte en studeerde met een enorme passie om haar doel te bereiken. Ze had haar uiterste best gedaan en elke keer als dat niet genoeg bleek, had ze haar inzet verdubbeld. Het was niet eenvoudig. Vaak liep ze op haar tenen om maar te kunnen slagen. Op school hadden ze haar een streber genoemd omdat ze nooit tevreden was met een negen. Alleen het hoogst haalbare was haar doel. Nooit was ze goed genoeg, dus werkte ze harder en harder. Ze geloofde dat er eens resultaat zou komen van haar inzet. Maar elke keer bleek dat iedereen beter en meer bijzonder was dan zij. Hoe ze ook vocht en worstelde, het had geen zin. Ze vocht voor erkenning voor wie ze was en wat ze kon. Maar elke keer weer werd ze afgewezen. Wat ze ook deed, ze maakte geen indruk. Nu stond ze hier en wilde ze niet meer vechten. Ze was het strijden moe. Bii elke stap, die ze nam om dichter bij haar doel te komen, werd ze twee stappen teruggeduwd. Haar leven had blijkbaar geen enkele nut. Ze schrok van haar gedachten. Ze probeerde hen weg te duwen. Ze rende terug naar haar auto. Ze moest niet hier zijn. Ze wilde naar de Noordkant van het eiland. Daar waar de zee hard tegen de rotsen sloeg. Misschien dat de oerkracht van het water haar zou reinigen van deze negatieve gedachten.
Ze drukte haar gaspedaal zover mogelijk. Met hoge snelheid vloog ze over de weg. Het gaf haar een goed gevoel. Alsof ze door zo hard mogelijk te rijden weg kon vluchten van haar gedachten. Ze voelde zich rusteloos. Ze zette de muziek hard om de stilte die haar deed denken te overschreeuwen. Een poging om haar gedachten te verjagen. Ze zong hard mee met de tekst van het liedje.
Aangekomen bij de Noordkant parkeerde ze bruusk haar auto en rende over de grove rotspuntige koraalgrond naar het eind van de wereld. Ze keek naar beneden. Naar het schuimende water dat zich met kracht fataal tegen de rotsen wierp. Eén stap verwijderd. Nu, als ze zou springen, was er niets meer. Als haar bestaan zo zinloos was kon ze er beter gelijk een eind aan maken. Het had geen zin om een heel leven te vechten voor niets. Ze verlangde naar een einde aan de pijn van het afstand doen, het afgescheiden zijn. Nooit één kunnen voelen. Nooit tevreden te zijn met wie ze was en wat ze kon. Ze voelde zich geamputeerd. Ergens was ze een deel van haarzelf kwijtgeraakt. Ze kon en wilde niet meer leven. Ze wilde zich weer compleet voelen. Niet langer woelen in deze eeuwigdurende strijd. Ze verheugde zich om bevrijd te zijn van haar zwarte pijn. Om bevrijd te zijn van wie ze was. Eén stap maar. Haar tranen begonnen te stromen. Ze wilde niet langer leven. Niet dit leven. Waarin ze steeds weer als een kat haar wonden moest likken. Haar rug moesten rechten om te bedanken voor de wijze lessen. Voor alles wat ze had geleerd. Er leek geen einde aan te komen. De lessen leidden haar tot niets. Ze had geleerd wat het was om te haten. Ze had geleerd wat het was om pijn te voelen. Ze hief haar hoofd naar de hemel en schreeuwde wanhopig, zo hard als ze kon: “God, als je bestaat, zeg me, wanneer komt hier een eind aan? Ik wil dit niet meer voelen, Ik wil hier niet meer zijn. Ik kan het niet meer aan. Was ik maar weer een kind. Onbezonnen en onschuldig.” Eén stap verwijderd. Niemand zou haar missen. Haar leven was zinloos.
Ze keek nog eens over de rand naar het kolkend water. Haar tranen smaakten zout als het water dat tegen de rotsen explodeerde. Ze voelde de wind aan haar kleding trekken alsof hij haar het laatste duwtje wilde geven. “Kom op, je kunt het. Spring, de verlossing is nabij!” Eén stap verwijderd van een nieuw leven. Ze keek naar de golven. Hoe ze, nadat ze de rotsen een flink pak slaag hadden gegeven, hun weg terug zochten om vol trots de aankomende golven hoog in de lucht te slaan. Als een daad van triomf. De golven spoelden onophoudelijk aan. Er was geen pauze in hun beweging. Net als haar verdriet. Elke keer dompelde ze zich weer onder. Ze was niet geboren voor een simpel leven. Ze ging door de diepste dalen. Het was voor haar de enige weg om de top te bereiken. Altijd kiezend voor de weg die onmogelijk leek. Het maakte haar leven spannend. Een ware uitdaging. Maar nu was het genoeg. Ze wilde niet meer. De ontberingen waren te zwaar voor het eenvoudige doel dat ze nastreefde. Ze wist niet eens meer wat haar doel was. Niets was meer belangrijk. Alleen die enkele stap vooruit. Ze zou aan stukken slaan tegen de rotsen gelijk de golven. Haar lichaam zou zo ernstig verwond raken dat de dood vanzelf zou volgen. Toch? Zou ze pijn voelen? De rotsen zagen er scherp uit. Hoe vaak zou haar lichaam tegen de rotsen moeten slaan om levenloos te worden? Zou ze bij de eerste klap buiten bewustzijn raken? Of zou ze voelen hoe haar botten zouden breken? Bot voor bot als lucifershoutjes knappend? Zou de fysieke pijn erger zijn dan de pijn die ze nu voelde? Zou de donkere woeste zee rood kleuren van het bloed dat uit haar lichaam zou stromen om te vermengen met het zilte zeewater. Ze keek naar de enorme hoeveelheid water dat onder haar tegen de rotsen sloeg. Hoe arrogant om te denken dat de kleur van haar bloed een indruk zou nalaten in deze immense watermassa. Ze zou geen indruk nalaten. Niet in het zand en niet in het water. Haar lichaam zou niet meer functioneren. Het zou levenloos gevonden worden. Misschien kwam er nog een berichtje in de krant. Als ze geluk had. Maar buiten haar lichaam, wat bleef er dan nog van haar over? Wat gebeurde er met haar geest, haar gedachten. Als ze de bodemloze diepte ingetrokken werd, omringd door – en gevangen in het zwarte water, wat zou ze denken? Wat zou er in haar laatste seconden gebeuren? Zou ze spijt krijgen van die ene stap die alles onomkeerbaar maakte? Het idee om geen adem meer te kunnen halen, deed haar snakken naar lucht. Haar longen zouden vollopen met water. Zoutwater, waar ze als kind al een hekel aan had. Ze dacht aan de keer dat ze tijdens een vaakantie in de grijze zee aan het duiken was in de woeste golven. Een spelletje waar ze volop van genoot en in haar eentje eindeloos kon spelen. Tot de onderstroom haar naar beneden trok. Het was zo sterk. Hoe hard ze ook vocht tegen de sterke stroming, het lukte haar niet om boven te komen. Ze had geworsteld voor haar leven. De rillingen liepen nog over haar rug toen ze dacht aan de angst die ze toen had gevoeld om te sterven. Al haar kracht had ze gebruikt om weer grond onder haar voeten te krijgen. Godzijdank was er een man geweest, een toevallige passant, die haar aan haar arm weer naar boven had getrokken, zodat ze weer op haar beide benen stond. Buiten adem. Opgelucht. Nooit had ze daarna nog in de golven gedoken.
Nu was ze één stap verwijderd van de dood en weerhield de angst voor de dood haar die ene stap te nemen. Verschrikt zette ze een stap terug. Ze dacht aan haar leven. Zo erg was het ook weer niet. Bewust zette ze nog een stap terug. Nu was drie stappen verwijderd van de dood. Ze zakte op haar knieën. Opeens dankbaar voor het leven dat ze had. Nu koos ze bewust voor het leven. Om te mogen leven. Ze was ermee opgescheept en moest er maar iets moois van maken. De keuze lag bij haar. Ze moest denken aan het existentialisme van Satre: “De mens ís wat hij van zichzelf maakt.”
Opeens begreep ze wat hij daarmee bedoelde.
© Koningin der Decadentie
De afwijzing
“Ik had meer van je verwacht. Je bent nogal tegengevallen.”
Ze tuurde naar het stoplicht dat eeuwig op rood leek te staan. Hoe kon hij zoiets zeggen? Uitgerekend hij, die haar begreep. Nog nooit had ze iemand ontmoet die op zo’n diepe wijze tot haar doordrong als hij. In hem dacht ze haar tweelingziel gevonden te hebben. Hoe vaak had ze de verhalen gelezen over tweelingzielen. Over hoe de Ziel door Zeus gesplitst was in een mannelijk en een vrouwelijk deel, omdat de Ziel de dualiteit wilde leren door de uitersten te ervaren.
De tegengestelde helft van haar had, net als zij, rondgedoold op deze aarde op zoek naar haar om hun gezamelijke ziel weer compleet te maken. Toen ze hem ontmoette wist ze het zeker. Hij was haar tweelingziel. Haar ware sprituele partner. Hadden zij zich niet verwonderd over de liefde, de vriendschap en de intimiteit tussen hen? Ze wilden zo graag bij elkaar zijn, ondanks alles. Ze hadden gezegd hun hele leven bij elkaar te blijven. Het verlangen naar elkaar was zo sterk. Het was niet alleen het verlangen naar een lichamelijk samenzijn maar veel meer dan dat. Ze smachtten naar elkaars aanwezigheid vanuit iets dat ver boven het lichaam en de geest uitsteeg. Hun liefde was op zielsniveau. Ze wilden bij elkaar zijn, niet om de lichamelijke aanwezigheid, niet om de grapjes of de wijze woorden die zij te zeggen hadden, maar gewoon omdat ze wisten dat ze daar simpelweg hoorden te zijn. Aan elkaars zijde. Samen wachtend op de vraag van Zeus. Zeus zou hen vragen of zij eeuwig in elkaars aanwezigheid wilden zijn om weer tot één versmolten te worden. Hun dood zou hen niet scheiden, mar hen juist voor eeuwig samen brengen. De liefde tussen hen was een verlangen en een streven naar heelheid. Hun verwachtingen zouden leiden naar vervoering van hun ziel. Ze was er zo zeker van. Maar nu overkwam haar dit. Ze was afgewezen door haar tweelingziel. Zotter kon niet.
Ze keek naar de auto’s aan de overkant van het kruispunt. Daar had ze ook gestaan. Nog geen half uur geleden. Ongeduldig wachtend tot het stoplicht weer op groen zou springen. Om het gaspedaal vol in te drukken en met hoge snelheid naar hem te rijden. Haar leven was tot de rand gevuld geweest met geluk. De wereld had haar toe geschitterd. Ze had zich er zo op verheugd om de man weer te zien met wie zij zo’n intense passionele relatie had dat ze soms duizelig werd van hun geluk. Een man die veel meer deed dan haar aan het lachen te maken. Met volle teugen genoot ze van zijn aandacht. De wijze waarop hij haar kon aankijken en de woorden die hij tegen haar kon zeggen. Niet veel, maar de juiste. Ze had zich nog nooit zo heerlijk op haar gemak gevoeld bij een man. Ze waren voorbestemd om samen te zijn. Daar was ze overtuigd van geweest. Voor haar was het zo duidelijk. Ze waren hetzelfde en toch tegengesteld. Ze was het beste dat hij kon krijgen. Hij het beste wat zij wilde. Er was geen twijfel mogelijk dat een relatie tussen hen niet zou lukken. Het zou een sprookjeshuwelijk zijn. Met een “ze leefden nog lang en gelukkig eind”.
Maar dat was een half uur geleden, toen ze nog aan de andere kant van de kruising stond. Het zicht op de auto’s aan de overkant vertroebelde. Ze voelde tranen. Hoe kon hij zoiets zeggen. Ze dacht aan het gesprek. Het moment dat hij het had gezegd. “Ik had meer van je verwacht. Je bent nogal tegengevallen.” Het dreunde door hoofd. Haar wereld was totaal ingestort. Compleet onverwachts. Er was toch niets geweest wat haar had moeten waarschuwen? Of had ze alle voortekens gemist in haar roes van waanzinnig verliefdheid?
Alles veranderde op het moment dat hij zijn woorden uitsprak. Zijn woorden, zo simpel, waren messcherp. Ze had moeite moeten doen om zich te beheersen. Ze wilde niet dat hij zou zien dat ze levensgevaarlijk gewond was geraakt. Ze had haar trots. Terwijl hij zijn monoloog had voorgezet en duizend-en-één redenen had gegeven waarom het nooit iets zou worden tussen hen, had ze een steeds sterker wordende drang in haar gevoeld. Ze had als een helse furie op willen staan en hem willen aanvallen. Ze had hem willen vernietigen. Ze had gewild dat hij was opgehouden met zijn rationele gezwam. Er was er maar één de ware voor hem en dat was zij. Hij zou nooit zonder haar kunnen leven. Hij hield meer van haar dan dat hij van zichzelf hield. Ze had zijn woorden niet langer willen horen. Ze had gewild dat hij haar weer in zijn armen nam en zachte lieve woordjes zei zoals hij voorheen had gedaan. Gisteren.
Zijn woorden waren onverwachts gekomen. Ze begreep hen niet. Hij, nee, hij zou haar nooit afwijzen. Er was een verbond tussen hen. Hij hield van haar. Als twee mensen van elkaar houden, horen ze samen. Dat is de Waarheid. Dit was onmogelijk. Ze voelde zich onttroond. Ze was niet langer meer zijn koningin. Hij zou haar gaan missen alsof hij een stuk van zichzelf had weggegeven. Vast en zeker.
Braaf was ze blijven zitten en had ze stil geluisterd naar wat hij te zeggen had. Ze had er niets tegen ingebracht. Stil had ze zichzelf moed ingepraat. Het is één van zijn harde grapjes. Hij meent het niet echt. Het komt goed. Ze had vaker in deze positie gestaan. Had ze het niet altijd gered. Ze zou beter haar best doen. Hij zou haar vast een tweede kans geven. Hij zou spijt krijgen van zijn beslissing. Zij kon alles. Met haar enorm sterke wilskracht slaagde ze er altijd in om weer boven te komen. Ze was een strijder. Het zou haar ook dit keer lukken. Nee, ze mocht geen emoties tonen. Dat zou enkel een teken van zwakte zijn. Dus had ze beleefd geglimlacht.
Het gesprek was snel tot een einde gekomen. Ze had haar evenwicht weer gevonden. En toen hij haar uitliet had ze hem nog vriendelijk succes gewenst. Er was niets verloren. Hij zou haar wel weer bellen. Morgen misschien. Ze moest geduld hebben. Het kwam zeker goed.
Achter haar begonnen de auto’s te toeteren.
© Koningin der Decadentie