De droom
Hij verscheen in haar droom. Ze was op de school waar ze lang geleden op gezeten had. Er was een feest gaande. Ze wist dat hij daar ook was. Ze zag hem. Ze wilde hem zien en toch ook weer niet. Hem zien betekende dat hij haar ook kon zien. Stiekem keek ze naar hem. Hij was gekleed in een geruite broek en effen shirt. Niet echt volgens de laatste mode, maar hij kon van alles aantrekken en nog zag hij er fantastisch uit, vond zij. Terwijl ze zijn khaki-kleurige kleding bestudeerde werd zij zich bewust van de kleding die zij droeg. Ook zij droeg een geruite broek en een effen shirt. Maar haar kleding was niet in stijl zoals de zijne. Het waren schreeuwerige kleuren die niet bij elkaar paste. Ze raakte in paniek. Zo mocht hij haar niet zien. Hij zou denken dat zij geen kleurgevoel bezat. Iets wat haar opeens er belangrijk leek. Ze voelde zijn aanwezigheid; hij was heel dichtbij haar. Ze voelde dat hij naar haar keek. Ze zag zijn broek en shirt. Ze durfde hem niet aan te kijken. Ze probeerde weg te komen uit de ruimte waar hij was.
Toen ze veilig ver verwijderd uit zijn blikveld tot bedaren kwam, voelde zij zich schuldig omdat ze hem niet had durven groeten. Het voelde als een gemiste kans. Ze werd moedeloos van zichzelf. Ze zou nooit in het reine kunnen komen met hem.
De hele dag bleef haar droom haar achtervolgen. Het was haar schuld. Zij was degene die zich continu schaamde niet te voldoen aan zijn verwachtingen of liever haar eigen verwachtingen. Zij was degene die weg bleef van hem. Het was haar schuld.
© Koningin der Decadentie