Boodschap

15 januari 2008 at 8:19 pm (Poëzie) (, , , , , )

Er zijn dingen die Tijd niet kan wissen.
Hoeveel levens ik ook leef.
Mijn liefde voor jou blijft.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Zielsveel

15 januari 2008 at 8:17 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , )

Ze hield van hem. Ze hield zielsveel van hem. Het was niet zijn lichaam wat ze begeerde, want dat stond haar niet aan. Het waren niet de dingen die hij deed, want in haar ogen maakte hij een puinhoop van zijn leven.
Het was de blik in zijn ogen als hij haar aankeek. Het was zijn stem als hij haar naam zei.
In zijn nabijheid was ze simpel wie ze was. Eén en al aandacht voor hem.
Maar als hij weer weg was voelde zij zich verloren, geämputeerd en afgesneden van haar levensbron. Het kostte dagen om zich weer één te voelen met haarzelf. Daarom wilde ze hem niet zien. Hij raakte haar diep van binnen. Hij veranderde haar wezenlijk.

© Koningin der Decadentie

Permalink 1 Reactie

Haat

15 januari 2008 at 7:59 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , )

Terwijl ze de kibbelende vogeltjes op het terras bestudeerde, dacht ze aan de keer dat hij haar had afgewezen. Hoe durfde hij haar dramatisch en kinderlijk te noemen. Hij was degene vol drama en een klein kind. Niet zij. Haar gedachten begonnen te razen: “Als hij zou weten wat ik voor hem heb gedaan. Hoe ik mijn hart uit mijn lichaam rukte om mijn boosheid niet te tonen. Hoe ik mijn bittere tranen verborg in een poel van zwart verdriet waarin ik het liefst had willen verdrinken, maar ik bleef zwemmen. Hoe ik het intense verlangen in mezelf hield om hem niet lastig te vallen met mijn passionele liefdesbetuigingen. Dat alles deed ik alleen maar zodat hij zich zelfverzekerd zou voelen in mijn aanwezigheid. Inmiddels weet ik dat zou ik in zijn nabijheid schreeuwen, in woede uitbarsten of hysterisch huilen. Het zou hem niets uitmaken. Hij is zo ingenomen met zichzelf dat hij niet begrijpt wat het inhoudt om deze gevoelens te hebben. Hij is zo ijdel. Hij weet niet wat het is om weg te zinken in de dramatische ellende die hij zelf geschapen zou hebben.
Hij hoeft me niet te redden. Ik heb zijn uitgestoken hand niet nodig. Dit keer red ik mezelf wel!”
Haar boosheid voelde zinloos aan. Hoe vaak had ze dat al bedacht. Elke keer als ze in radeloze woede de grond onder haar goed had aangestampt zodat het een solide basis zou vormen voor haar ego, kwam ze hem weer tegen en verwijderde hij zonder enige moeite de aarde onder haar voeten. Ze zonk steeds dieper en dieper. Een eindeloos verhaal. Een bodemloos moeras. Het is onmogelijk om liefde te voelen voor een man die enkel oog heeft voor zijn eigen spiegelbeeld. Ze haatte hem. Ze haatte hem zo intens.
Dat had ze hem toen moeten zeggen.

“Nee”, bedacht ze zich, “er is een reden waarom ik hem heb ontmoet.” Zou het echt zijn dat hij haar tweelingziel was? Dat zij, voor zij in de stof waren wedergekeerd, elkaar beloofd hadden om elkaar te prikkelen zodat zij zich bewust zouden worden van het Leven en dat zij zouden leren wat het is om iemand onvoorwaardelijk lief te hebben? Dat zij oprecht zouden kunnen zeggen dat zij van elkaar hielden ook als zij dachten dat het niet zo was? Dat zij van elkaar hielden ondanks alles? Waarom toonde hij dan nooit zijn gevoelens?
Al haar voornemens om hem onvoorwaardelijk lief te hebben, vielen in het niets. Ze kon niet zijn wat zij had beloofd. Op aarde golden blijkbaar andere wetten, regels en beperkingen. Ze kon niet onvoorwaardelijk liefhebben. Hem steunen zonder enige voorwaarden. Nu het moment was gekomen om tot een verzoening te komen, kon ze niet de stap maken. Ze zat vast in haar werkelijkheid. Gevangen in haar eigen ideeën. Ze wilde niet losbreken. Hoe groot de beloning ook zou zijn. Ze kon het niet. Het was makkelijker om hem te haten.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Wraak

15 januari 2008 at 7:36 pm (Het verhaal) (, , , , , , , , )

Ze deed haar best om uit zijn buurt te blijven. Ze probeerde openbare gelegenheden te mijden. Zeker als ze wist dat er een kleine kans was dat hij daar aanwezig zou zijn. Het liefste sloot zij zich op in haar huis. Ver weg van zijn wereld. Ze wilde echter niet dat anderen zouden denken dat zij hem vermeed. Voor de buitenwereld was er niets tussen hen. Er waren momenten dat ze verplicht was om haar gezicht te laten zien aan die buitenwereld. Ze ging met tegenzin. Bang dat hij er ook zou zijn en dat hij haar zou aanspreken. De herinnering aan het laatste gesprek stond in haar geheugen gegrift. Ze had voor hem gestaan en had geen passende woorden kunnen vinden. Dat wilde ze nooit meer meemaken. Ze moest bij hem weg blijven.
Toen ze verwikkeld was in een gesprek, zag ze hem opeens in de menigte. Ze schrok. Ze probeerde zich te beheersen en in haar gesprek te blijven. In haar binnenste was een gevecht gaande. Ze wilde weg. Na een tijdje keek ze op het horloge van haar gesprekspartner. “Is het al zo laat?”, riep ze gemaakt uit. “Oh, ik moet er nu echt vandoor.” Ter plaatse verzon ze bezigheden die nog gedaan moesten worden waarmee zich zou kunnen verontschuldigen. Ze probeerde ongemerkt de gastvrouw te localiseren, zonder in zijn richting te kijken. Haar schrik was groot toen ze zag dat ze langs hem moest om haar te bereiken. Met een rechte rug liep ze naar de gastvrouw. Vanuit haar ooghoeken zag ze hoe hij een poging ondernam om haar aan te spreken. Ze negeerde zijn pogingen en kwam bij de gastvrouw. Met haar meest charmante glimlach nam ze afscheid om vervolgens uit de menigte te stappen. Een paar stappen verwijderd kon ze opgelucht adem halen. Het was haar gelukt om zonder gezichtsverlies te verdwijnen.

Toch voelde ze zich naar. Het bleef in haar hoofd hangen. Ze wilde hem niet negeren. Ze wilde hem geen pijn doen. Maar dit was de enige wijze die ze kon bedenken om zichzelf geen pijn te doen. Ze walgde van haar gedrag.

Na een paar dagen voelde ze zich beter. Daar had ze mooi een eind aan gemaakt. Die zou geen contact meer met haar opnemen. Hij zou achterlijk zijn als hij nog contact met haar zocht. Zo hardleers zou hij toch niet zijn? Haar leven was weer van haar! Een jubelstemming nam bezit van haar. Ze voelde de macht die ze had. Dat vond ze heerlijk. Ze genoot van de gedachte dat hij haar had willen groeten, maar dat zij de controle had om te beslissen wanneer hij haar mocht groeten.

Het duurde een paar weken voordat ze hem weer tegen kwam in het verkeer. Zijn auto herkende ze direct. Hij keek niet naar haar. “Goed zo,” dacht ze, “die heeft zijn les geleerd”. Maar het zat haar niet lekker. Elke keer moest ze weer denken aan het moment. Ze begon zich af te vragen of hij haar opzettelijk had genegeerd. Ze voelde zich niet gezien. Misschien had hij haar niet gezien. Ze durfde het niet toe te geven, maar eigenlijk wilde ze dat hij naar haar keek. Misschien was ze voor hem niet belangrijk meer. Dat krenkte haar.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Meditatie

15 januari 2008 at 6:38 pm (Het verhaal) (, , , , )

Ze wilde klaar met hem zijn. Ze besloot de raad van het oude vrouwtje op te volgen en te mediteren. Tijdens de meditatie zou ze visualiseren dat ze afscheid van hem nam. Ze ging zitten op de koele grond en ademde rustig in en uit. Toen ze zich stil en sereen voelde, visualiseerde ze een ballon. Elke keer probeerde ze haar negatieve gedachten in de ballon te blazen. Ze nam afscheid van hen alle, zodat hij haar niet langer dwars zou zitten. De ballon werd groter en groter. Na een paar minuten was de ballon groot en gevuld. Ze legde er een denkbeeldige knoop in. Terwijl ze nogmaals afscheid nam en zichzelf overtuigde dat die gedachten niet langer meer van haar waren, liet ze de ballon los. Ze keek vredig toe hoe de ballon omhoog steeg. Het voelde goed.
Haar visualisatie werd wreed verstoord toen hij plots binnen stapte. Met een speld prikte hij bruusk de ballon lek. De ballon knalde luid en fladderde naar alle hoeken van de kamer: “Je bent nog lang niet klaar met mij!”
Ze voelde zich leeg en teleurgesteld. Zelfs in haar visualisaties intimideerde hij nog.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

De Waarheid

15 januari 2008 at 6:36 pm (Het verhaal) (, , , , , , , , )

Op het bankje zat het vrouwtje, klein en tenger van stuk, gekleed in een helderwit gewaad. Haar haren, door de tijd tot puur zilver geworden, waren strak gebonden in een klein staartje in haar nek. Haar huid was zacht, nagenoeg rimpeloos doorzichtig wit. Zoals ze daar zat in de eerste zonnestralen, haar broze handen vredig in haar schoot gelegd kijkend naar het ruwe maagdelijke landschap om haar heen, was het alsof God was neergestreken om te genieten van zijn schepping.

Anna parkeerde haar auto. Terwijl ze uitstapte viel haar oog op de dorre grond waar een dode hagedis een mooi grafisch patroon vormde. Anna bleef even staan. Ze bewonderde de lijnen van de platte hagedis. Er was enkel een afdruk van hem. Vervolgens liep ze naar het bankje en ging ze naast het vrouwtje zitten. Ze wist waarom Anna gekomen was.
“Och meisje,” zei ze lachend nadat Anna haar verhaal had verteld, “er is niets heerlijker in de wereld dan hopeloos verliefd te zijn, vind je niet? Weet je,” zei ze terwijl ze teder de hand van Anna pakte en wat dichter naar haar toe schoof, “liefde zorgt dat de wereld draait. Liefde is een energie die rechtstreeks van God komt. Ookal heeft hij je afgewezen, het maakt niets uit. Je weet nu dat je in staat bent om iemand lief te hebben. Dat is wat hij jou geleerd heeft. Het vermogen om te houden van een ander. Is dat niet het grootste geschenk dat hij jou had kunnen geven? Kijk naar hem met liefde. Hij is je leraar, je begeleider. Voor je in dit leven stapte heb je met hem afgesproken dat hij je deze les zou geven. Wees toch niet boos op degenen die je helpen je leven zin te geven.”
De woorden gaven Anna geen troost maar maakte haar boos en opstandig.
“Nee,” schreeuwde ze, “liefde is niet zoetsappig en mooi. Liefde is lijden.” Anna vervolgde: “Geloof me, als mijn liefde voor hem een doodgewoon verliefdheidje was geweest. Iets waar ik jaren later nog met weemoed aan terug zou denken om te verzuchten wat een fijne tijd het was. Iets waardevols waar ik op stormachtige dagen stil over zou kunnen dromen. Dan was ik hier niet gekomen. In mijn buik zijn geen vlinders te bekennen die zoet zweven bij het denken aan de tijd die we samen hadden of bij het zien van zijn aanwezigheid. Het doet me niet blij en sprankelend glimlachen. Mijn wereld kleurt niet zachtroze. Gedachten aan hem maken mij niet simpelweg lief en gelukkig. Ze vernederen me. Elke keer als ik hem zie of aan hem denk, overvalt me de keer dat hij me afwees. Elke herinnering wordt overschaduwd door een aanval van pure woede en misselijkheid veroorzaakt door een duister en pijnlijk gevoel van vleermuizen die raaklings in mijn maagzuur scheren tot ik vol afschuw smeek om genade. Het maakt me duivels en scherp, gereed om de eerste persoon die in mijn buurt durft te komen om te brengen met mijn zwarte cynisme.” Ze rukte haar hand los.
“Mijn gevoelens zijn zo tegenstrijdig. Ik voel hem als één met mij. Elke keer als ik mezelf zoek, kom ik bij hem uit. Dan blijkt dat ik meer hem ben en hij meer mij is, dan ik mezelf ben. Alles wat hij doet, voel ik. Zijn leed is de mijne. Zijn vreugde is mijn geluk. Samen zijn we één. Onze ziel wil weer één zijn. Hij is mijn Tweelingziel. Maar als ik hem zie, raak ik in paniek. Alleen het idee al om hem te ontmoeten, maakt me misselijk. Een confrontatie waar ik niet op zit te wachten. Ik wil hem niet meer zien. Ik kan de stap niet nemen. Het conflict tussen ons is een innerlijke strijd in mij geworden.”
“Maar wat als je hem weer tegenkomt?”
“Wat ik niet zie, dat is er niet.”, antwoordde Anna.
“Of je doet alsof je hem niet ziet”, zei het vrouwtje fel, “om hem dwars te zitten. In de hoop dat hij de strijd zal aangaan. Je pest, manipuleert, negeert net zolang tot hij zal reageren. Tot hij in woede uitbarst. Dat is natuurlijk makkelijker voor jou. Hij begint en jij denkt je handen in onschuld te wassen. Jij denkt dat jij het slachtoffer bent. Dat hij jou intimideert. Als ik jou was zou ik er niet vanuit gaan dat deze tactiek werkt. Je zult je lelijk branden. Je weet niet uit welk hout hij gesneden is met die onzin over zijn ziel is mijn ziel. Je kent hem niet eens. Hij is gewoon een persoon die je tegen bent gekomen. Nu projecteer je op hem een heel karmisch verleden, omdat je wilt dat jouw leven zin heeft. Hij heeft er niets mee te maken. Hij is een onschuldige voorbijganger. Laat hem met rust en zoek een hobby!”

Het vrouwtje zuchtte eens. Na een korte stilte zei ze iets vriendelijker: “Ik zal je een manier leren om hem los te laten. Heb je weleens gemediteerd?”
Het vrouwtje vertelde haar een simpele oefening die ze kon doen als ze alleen was en zich weer bekneld voelde door zwarte gedachten.

Terwijl ze terugliep naar haar auto, zag ze de hagedis weer die zijn weg gevonden had naar God. Nu lagen er nog resten van wat ooit zijn lichaam was geweest. Opeens werd het Anna duidelijk. De man – de relatie – was geen einddoel, het was een middel om te kunnen groeien. Om bij het Zelf te komen. Het vrouwtje had gelijk: hij was een voorbijgaande factor. Het begrip Tweelingziel behoorde tot het land der fabelen. Er was geen andere helft van haar die hier op aarde rondliep. Volmaaktheid zat in het Zelf. Het kon zijn dat ze iemand ontmoette die haar een duw zou geven. Maar om haar eigen volmaaktheid te vinden moest zelf de verantwoordelijkheid nemen. Het had geen zin om te wachten tot hij haar problemen zou oplossen.

© Koningin der Decadentie

Permalink 1 Reactie

De helende Tijd

15 januari 2008 at 6:17 pm (Het verhaal) (, , , , , )

Bovenop de heuvel stond stil het huis. Het verroerde zich niet. Het was niet bang voor de donkergrijze lucht die het van achter probeerde te bespringen en gevaarlijk dreigde met zware onweersbuien. Het stond er rustig te wachten in het felle licht van de brandende zon. Op haar komst. Buiten adem klom ze heuvel op. Vlak voor zijn trap bleef ze staan. Uit respect. Ze bekeek het vervallen huis dat vol trots elke storm had weerstaan. Rechtop in de wind die het steeds weer vanuit het Noordoosten leek aan te vallen. Het gaf geen krimp. Het stond daar zoals het al eeuwen daar stond. Bovenop de heuvel. Ooit gevuld met rennende kindervoeten was het nu geworden tot een ruïne bezocht door trage leguanen en eenzame dromers zoals zij.

Haar blik viel op twee leguanen die op hun dikke buiken naar de galerij probeerden te vluchten voor de komst van de indringer. Ze bestudeerde de gifgroene beesten. Hun buiken waren gevuld met eieren. Zwanger van de toekomst. Terwijl ze de trap op klom overpeinsde ze het begrip Tijd. “Tijd heelt alle wonden”. Ze glimlachte toen ze de ruïne in ogenschouw nam. “Weinig helend”, zei ze tegen het huis, “je verf is gebladderd, je hout is verrot, je stenen zijn verbrokkeld. De dagen zijn keihard door je dak gevallen.
Ooit was je kolossaal en impossant en keken jouw bewoners naar je op. Je werd geroemd om je schoonheid. De rijke dames en heren die in jou een schuilplaats vonden voor de nieuwsgierige zon.” Als ze haar ogen sloot kon ze het ruisen van de rokken nog horen. De bel die het souper had aangediend. Nu zochten de twee dikke dames smoezend hun weg. De galerij was geheel ontluisterd.
Wij zijn hetzelfde. Jij en ik. Vroeger was ik de koningin. Ik heerste over alles en iedereen. Als ik ergens binnentrad werd er gefluisterd en gekeken. Nu maakt het allemaal niets meer uit. Mensen weten het niet meer. Niemand kijkt meer. Niemand vraagt meer.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Welkom

13 januari 2008 at 7:17 pm (Overpeinzingen) (, , , , , , , , , )

De tuin rond het huis was één al verdord. Struiken met doornen schermden het huis af van de buitenwereld. De enige weg naar het huis was dwars door de struiken. De tuin van Hades, noemde zij het. Het was de wind die fluisterend het verhaal van het huis vertelde: ”Kom, er is een wereld in mij, donker en duister, stil en sereen. Je kunt niet binnendringen. Doornen bewaken mijn ziel. Maar mocht je willen komen. Wees gerust en vergeet vooral niet je geduld. Want die wereld in mij doodt enkel de Tijd.”

Anna wist hoe het voelde om buitengesloten te worden. Om nooit een deel te zijn van een groep. Ze was nergens welkom. Ze voelde zich nergens veilig. Ze was niet van deze wereld. Nooit voldeed ze aan de verwachtingen van anderen. Ze had geprobeerd zich aan te passen. Te zijn zoals de anderen. Een gehoorzame dochter, een lieve hartsvriendin, een partner voor het leven. Nooit was ze in de ogen van de ander wat ze had moeten zijn. Altijd waren er weer de kritieken en de verwijten. Zo voelde Anna het.
Toen ze bij hem kwam had ze het gevoel dat ze thuis kwam. Ze hoorde bij hem. Hij gaf haar in zijn gesloten armen een grenzeloos gevoel van vrijheid. Na al die vruchteloze pogingen van zoeken had zij haar kudde gevonden. Ze was één met hem. Bij hem kon ze iemand zijn. Ze voelde de belofte om in zijn veilige omgeving te groeien. Ze hoefde niet te voldoen aan allerlei zinloze waarden en normen. Voor haar lag de weg naar onvoorwaardelijke liefde open. Dat had ze echt gedacht. Maar ze was verblind. Ook hij liet haar vallen. Hij zei dat ze was tegengevallen. Weer was ze niet wat ze beloofd had te zijn.
Haar hele leven had ze op hem gewacht. Haar sprookjesprins op het witte paard. De man die haar zou redden uit haar zwarte ellende. Hoe vaak had ze hem ontmoet in haar meisjesdromen. Steeds kwam hij weer. Vol beloftes over het eeuwige geluk als ze zich aan hem zou overgeven. Ze had haar hart aan hem gegeven. Nu was er weinig over van zijn beloftes. En haar hart.

Het huis had een deur. De deur was altijd open. Ze kon naar binnen gaan als zij dat wilde. En ze kon naar buiten gaan. Wat ze nog prettiger vond, ze kwam nooit ongelegen. Nooit reageerde iemand geschokt. Ze was er altijd welkom.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Heilig relikwie

13 januari 2008 at 7:06 pm (Het verhaal) (, , , , , )

In een hoek lag een verfrommeld pakje waarin ooit sigaretten hadden gewoond. Achteloos weggegooid. Het was zijn merk. Een heilig relikwie. Ze dacht terug aan de keer dat ze veilig in zijn armen had gelegen en hij vanuit zijn borstzak precies zo’n pakje had getoverd om tevreden zoals ze daar lagen het moment van geluk te verhogen door een sigaret te roken. Een gewoonte die zij verafschuwde, maar omdat het bij hem hoorde, tolereerde. Ze had het pakje van hem overgenomen en de inhoud bestudeerd. Vervolgens een sigaret eruit gehaald en omgedraaid weer terug gedaan. Hij had haar niet begrijpend gevraagd waarom ze dat deed. Voor hem was dat een daad van chaos. Ze had gezien dat zijn handen jeukten om de sigaret weer om te draaien. Ze had het pakje gesloten, lief geglimlacht en gezegd dat elke keer als hij een sigaret opstak, de omgedraaide sigaret zou zien en aan haar zou denken. Een glimlach en een kus op haar voorhoofd was zijn antwoord. Terwijl hij de sigaret weer had omgedraaid en het pakje weer terug in zijn borstzak had gedaan, had hij gefluisterd dat hij geen omgedraaide sigaret nodig had om aan haar te denken. Vol geluk was ze dichter tegen hem aangekropen.
De herinnering maakte haar warm en koud tegelijk. Een rilling liep ijskoud over haar rug. Ze wendde haar hoofd af in een poging de herinnering van zich af te schudden. Dat was nog ervoor. Voor hij vond dat ze was tegengevallen.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Dido

13 januari 2008 at 7:04 pm (Griekse Mythologie) (, , , , , )

Tussen de rotzooi die nutteloos in een hoek rustte, vond ze een foto van een jonge vrouw. De foto was ingelijst. De vrouw had niet gekeken naar degene die de foto had gemaakt. Haar blik was naar de grond gericht. Zo bleef ze voor eeuwig. In gedachten. Anna’s nieuwsgierigheid was gewekt. Wie was deze vrouw? Waarom zou iemand haar vastleggen terwijl ze troosteloos naar de grond staarde? Het leek of die iemand het moment had willen vasthouden nadat hij haar op brute wijze had afgewezen.

Ze noemde de vrouw Dido naar de legendarische eerste koningin van de Noord-Afrikaanse stad Carthago. Tussen Dido en de Trojaanse held Aeneas had een hartstochtelijke liefde gebrand. Aeneas behoorden tot één van de weinigen die de brandende Troje had weten te ontkomen toen deze stad door de Grieken werd vernietigd. Aeneas was voorspeld dat er een voorspoedige toekomst in het westen zou liggen. Door een storm belandde zijn vloot echter niet in Italië maar in Noord-Afrika bij Dido. Dido, waanzinnig verliefd, gaf zich over aan Aeneas toen ze tijdens een heftig onweersbui samen schuilden in een grot. Ze was ervan overtuigd dat hij haar zou trouwen. Ze waren voortbestemd, vond zij. Helaas bleek al snel dat de goden daar andere gedachten over hadden. Ze herinnderden Aeneas aan zijn lotsbestemming om een nieuw koninkrijk te stichten in Italië. Natuurlijk was Dido geen onderdeel van die plannen. Aeneas zo gehoorzaam als een hond deed wat de Goden hem zeiden en vertrok.

Dido, onteerd en ontroostbaar, beroofde zich van het leven met het zwaard dat Aeneas haar had gegeven en liet zich in brand steken. In de hoop dat Aeneas die met zijn makkers zorgeloos de baai uitvoer, de rookwolken zou zien en zich eeuwig schuldig zou voelen.
Anna voelde verwantschap met Dido.

Terwijl ze het lijstje bekeek – het glas was gebroken – vroeg ze zich af, wat is het leven. De enige zekerheid is de dood. Wat zou ze dan dan nog zijn, een herinnering? Een foto gevangen in een wissellijstje? Vergane glorie. Ze voelde medeleven met de vrouw wiens fotolijstje niet eens een prominente plaats op een televisie of een daarvoor speciaal ingericht tafeltje had. De herinnering aan haar leven lag hier zomaar tussen de rotzooi in een huis dat was vergeten. Het leek achteloos in een hoek gegooid. Een verstild moment van iets dat was geweest maar nu niet meer was. Totaal zinloos.
Anna besloot het lijstje mee naar huis te nemen. Zij zou het een plaats geven op haar bureau. Ze zou haar niet vergeten. Ze zou haar in ere herstellen. Wat ze ook gedaan had in haar leven. Het kon nooit zo erg zijn geweest om zomaar in een hoek weggegooid te worden.

© Koningin der Decadentie

Permalink Laat een reactie achter

Volgende pagina »