Het spirituele pad verlaten
Terwijl ze het weggetje volgde dat naar zee liep, dacht ze na over haar spirituele pad. Ze was moe van dat hele gedoe. Des te meer antwoorden ze vroeg, des te meer vragen er kwamen. Er was geen ophouden aan. Toen ze dat aankaartte, werd haar verteld dat ze geen vragen mocht stellen. Ze moest stil zijn, mediteren en dan zou alles duidelijk worden. Want als ze vragen stelde, oordeelde ze. Haar gedachten waren verdeeld in goed en fout. Alles wat uit haar mond kwam had een oordeel. En dat was niet de manier waarmee ze haar pad kon open maken. Ze moest elke dag gaan zitten en mediteren. Bidden voor de verlossing. Jaren had ze het geprobeerd. Alles wat ze wilde, was enkel zijn aandacht geweest. Daar was het allemaal om begonnen, maar alles wat ze kreeg was spirituele inzichten. Inzichten die haar alleen nog meer vragen en verlangen brachten. Ze wilde niet meer. Ze wilde van het pad af. Ze wilde weer gewoon zichzelf zijn zoals ze was voordat ze spiritueel ontwaakt was. Ze mocht wel eens eerlijk zijn ten opzichte van zichzelf; de reden waarom ze haar heil had gezocht in spiritualiteit was om troost te vinden. Troost zoals meditatie haar bood. De inzichten hadden haar zeker troost gebracht. Maar dat duurde nooit lang.
Eigenlijk had ze het begrip pad nooit begrepen. Een pad houdt in dat er een weg is. Een weg naar wat? Wat ligt er aan het eind van dat pad? Een zee zoals bij het pad waarop ze nu liep? Wat is de beloning van een spiriteel pad, nog meer inzichten? Waarom kon ze niet dood gaan. Dan was ze weer terug bij God en hoefde ze niet meer te worstelen. Wanneer had ze ooit gekozen voor dit leven?
Wat als ze helemaal niet wilde lopen? Wat als ze gewoon wilde blijven wie ze was? Geen ontwikkeling, geen groei. Een rode sportauto willen bezitten, dat begreep ze. Maar dat was niet waar zij naar verlangde. Ze wilde iets anders, maar ze wist niet wat. Of beter gezegd wat ze wilde, kon ze niet omschrijven. Ze kon zeggen wat het niet was; ze wilde geen geld, groot huis, zijn vrijheid, zijn goedkeuring en nee ook niet zijn eeuwige aandacht. Dat zou haar alleen maar gaan vervelen.
Ze had al lang geleden begrepen dat de reden waarom hij haar aantrok, was dat hij, op het moment als zij dacht dat ze veilig was bij hem, haar afwees. Na negen jaar was ze dat spelletje van aantrekken en afstoten beu. Het was niet meer dan ongezond verlangen. Nee, zijn aandacht wilde ze ook niet meer. Niet als het op deze manier moest.
Ze besloot om niet langer het pad te volgen. Ze stapte opzij en ging dwars door struiken en doornen. Ze voelde de strammen op haar benen en armen. Even overwoog ze om terug te gaan, maar verbeten ging ze voort. De zee kon nooit meer ver zijn. Maar hoe meer ze de richting van de zee opliep hoe dichter de struiken werden. Omkeren was geen optie. Ze was verdwaald. Verward bleef ze staan.
Eigenlijk wilde ze niet op aarde zijn. De dood leek haar een verlossing. Daar was geen goed en kwaad. Daar was alles één. Een plaats met alleen maar liefde en licht. Daar vertelde iemand haar niet dat ze nooit ver kon komen op haar spirituele pad omdat ze enkel oordeelde. Wat had het leven op aarde voor zin als er iets veel mooiers was? Hier blijven staan had geen zin. Ze keek om haar heen. Voor zich zag ze tussen het struikgewas een lichtere plaats. Daar moest het pad zijn. Of de zee. Ze trok en duwde zich naar de lichtere plaats. De lichtere plaats bleek een desillusie. Het was geen pad, geen zee. Maar een open plaats met wit zand omringd door een muur van cactussen, waar zich net met veel moeite doorheen had gedrongen. Ze draaide zich om en zocht een manier om weer langs te cactussen zich terug te wringen in het donkere struikgewas zonder zich te verwonden. Maar ze struikelde en viel. Haar hand, die steun zocht in haar val, belandde in een stekel. Een scherpe pijn trok door haar heen. Ze was niet in de hemel. Ze was op aarde. Op aarde was pijn en verdriet. Ze probeerde de stekel te verwijderen. Maar de stekel met weerhaken brak af. Een gedeelte bleef in haar hand. Terwijl ze over haar hand wreef, bekeek ze de open plaats. De donkergroene dunne lange cactussen rechtop staand omwikkeld door felgroene klimopplanten met pastelpaarse bloemen staken af tegen de strakblauwe lucht. De zon brandde meedogenloos. De kleuren waren intens en ze kon niet anders dan bekennen dat ze genoot van de kleuren. Het verzachtte haar pijn. Ze stond op, keek waar de zon stond en besloot met de zon in haar rug verder te worstelen door het struikgewas. Misschien moest ze maar eens ophouden met spiritueel te zijn en gewoon eens geld gaan verdienen. Geld en bezit waren altijd woorden voor haar geweest, waarvan ze vond dat die niet bij haar paste. Hij, hij was geldbewust en materialistisch. Maar zij was verheven boven dat soort aardse dingen. Zij ‘wist’ dat er meer in het leven was. Ze moest lachen om zichzelf. Wat is er ‘meer in het leven’? Een spiritueel pad waarvan ze niet wist waar dat eindigde? Misschien was ze helemaal niet vootbestemd voor het spirituele pad, waar ze niet mocht oordelen. Misschien moest ze eens meer als hem zijn en gewoon genieten van aardse dingen, zoals de zachtpaarse bloemen en het genot om veel geld te bezitten. Het leek haar opeens niet eens zo’n slecht idee. Waarom probeerde ze die kant niet eens?
Voor haar zag ze opeens het licht en de blauwe tinten waaierend van verzachtend turqouis tot nachtblauw, de zee.
© Koningin der Decadentie
Het verlangen van de ziel
I did not know my soul, until I saw its own reflection in your eyes.
Deze zin, die ze las in het boek ‘Juliet’ van Anne Fortier, gaf haar kippenvel. Ze las hem steeds weer en weer.
De laatste maanden had ze getracht om de band met hem te verbreken. Ze hield zichzelf voor dat ze iemand was geweest voordat ze hem ontmoette. Om haar te genezen van zijn altijd intimiderende ogen, moest ze simpelweg terug gaan naar de tijd toen hem nog niet kende. Ze moest zichzelf dwingen om hem te vergeten en zich bezig te houden met dingen die ze leuk vond, voordat ze met zijn bestaan werd geconfronteerd. Maar met het lezen van deze zin werd dat onzin. Ze kon niet terug naar die tijd. Omdat wat ze in zijn ogen had gezien, niet zijn lust was maar het verlangen van haar eigen ziel om te bestaan.
© Koningin der Decadentie
Spirituele band verbreken
Dagenlang bad ze om een helper die de spirituele band tussen haar tweelingenziel en haar kon verbreken. Ze had alweer maanden niets meer van hem gehoord. Wel had ze gehoord dat hij gelukkig was. Hij had haar dus niet nodig. Natuurlijk wilde ze dat hij gelukkig was, of dat nu mét of zonder haar was, was niet belangrijk, toch? Toch voelde ze elke keer weer een steek als ze eraan dacht. Misschien hadden ze elkaar in dit leven weer leren kennen om juist hun band te verbreken. Ze vroeg haar gids om haar te laten zien hoe ze dat op een simpele manier kon doen. Dagenlang had ze gebeden voor inzicht.
Opeens werd het haar duidelijk. Als ze de band met hem wilde verbreken dan was dat niet omdat hij gelukkig was en hij haar niet nodig had. Het was omdat hij niet voldeed aan haar verwachtingen. Ze zuchtte en zei zachtjes: “Wat ik werkelijk zou moeten doen is breken met mijn verwachtingen en jou accepteren zoals je bent. Mijn liefde voor jou is niet afhankelijk van de liefde…” Nee, liefde was niet het juiste woord… “Mijn liefde voor jou is niet afhankelijk van de aandacht die ik van jou krijg. Ik houd zielsveel van jou waar je ook bent en wat je ook doet.”
Ze besefte dat het geen zin had om de band tussen hen te verbreken. Die was gebaseerd op pure liefde en pure liefde laat zich niet breken.
© Koningin der Decadentie
Een tweelingziel liefhebben is bollen pellen
Ergens had ze ooit een filmpje gezien waarin werd getoond hoe tulpenbollen werden gepeld. Laag voor laag werden de wortels en de oude huid verwijderd. Ze wist niet waarom ze daar opeens aan moest denken. Maar de beelden zaten opeens weer in haar hoofd. Wacht… had ze niet eerder gehoord dat het spirituele pad gelijk was aan het pellen van een ui? Werd er niet verteld hoe je bij elke stap een schil verwijderde om uiteindelijk bij je eigen kern uit te komen? Ze glimlachte even. Haar eerste stappen op het spirituele pad had ze genomen nadat haar wortels waren verwijderd. Ze had hem ontmoet in de periode dat ze haar geboortegrond verlaten om duizenden kilometers verderop een poging te ondernemen een thuis te vinden. Nu negen jaar later was ze daar aardig ingeslaagd. Ze hield van het eiland waar ze nu woonde. Dit was haar thuis, maar dat was niet makkelijk gegaan. Het had haar veel tranen en energie gekost om te wortelen op een kale rots. Toen ze hem ontmoette had ze verwacht dat hij haar wel zou helpen om wortel te schieten. Maar hij had haar er alleen maar meer bewust van gemaakt dat ze ontworteld was.
Tot voor kort had ze hem altijd de schuld gegeven dat hij destijds de grond onder haar voeten had weg geslagen. Dat hij de oorzaak was van dat ze geen normaal contact hadden. Van een relatie wilde ze niet meer spreken. Wat er tussen hen was, was gereduceerd tot een contact. Meer was het niet. Wanneer mocht ze eigenlijk van een relatie spreken?
Lang geleden had ze bedacht dat zolang beiden tijd wilden steken in de relatie, er sprake was van een relatie. Nu was ze daar niet meer zo zeker van. Ze miste het woord toekomst in hun contact. Als hij haar tegen kwam, wat door zijn verhuizing nu een zeldzaamheid was geworden, zocht hij contact met haar. Het initiatief kwam van zijn kant. Blijkbaar was het voor hem belangrijk om haar dan weer even te spreken. Ze hield rekening met de mogelijkheid dat het misschien de laatste keer zou kunnen zijn dat ze hem had gezien. Dus, had ze besloten, er was wel sprake van een contact, maar de term relatie hoorde bij een contact waar beide personen verwachten dat er een toekomst samen zou zijn. En die toekomst samen gaf haar twijfels. Ze was er niet zeker van dat hij daar ooit over na dacht of dat hij dat wenste. Blijkbaar was het sporadisch contact voldoende voor hem. Of misschien niet. Ze kon geen hoogte krijgen van zijn verwachtingen.
Weer zag ze de tulpenbol voor zich. Hem liefhebben was als bollen pellen. Steeds werd ze weer gewezen op een nieuwe laag. Plots realiseerde ze zich dat ze weer een laag had verwijderd. Ze was niet langer boos op hem. Ze kon niet meer boos op hem zijn, omdat ze nu duidelijk zag dat het niet zijn schuld was dat er nagenoeg geen contact was tussen hen. Eigenlijk kon hij er ook niets aan doen. Hij had niet de talenten om makkelijk contact te maken. En als ze eerlijk was, ontbraken die talenten ook bij haar. Ze besefte dat ze worstelde met het hebben van contact. Wat verwachtte ze eigenlijk van het contact tussen hen? En hoe wilde ze eigenlijk contact met hem? Ze meende dat het contact tussen hen oppervlakkig en vluchtig was. Er zat geen diepgang in. Bij elke ontmoeting leek het of ze opnieuw kennismaakten en of ze maar geen vervolgstappen konden zetten om hun contact uit te diepen. De woorden en gedachten die ze gebruikten waren steeds dezelfde.
Uiteraard was dat net zo goed haar schuld. Het werd tijd dat ze leerde hoe ze een contact kon sturen om er meer diepgang in te brengen. Misschien kon ze dan deze laag ook verwijderen. Zodat ze uiteindelijk samen kwamen tot de kern waar al hun teleurstellingen, pijn en verwachtingen verdwenen zouden zijn en waar alleen hun liefde nog belangrijk was.
© Koningin der Decadentie
Mijn tweelingziel, mijn spiegel
Een ontmoeting met een tweelingziel is
leren om onvoorwaardelijk lief te hebben
zonder verwachtingen, zonder de ander te beoordelen
en zonder de ander te willen sturen.
Ze werd gek van zichzelf. In haar hoofd draaide de langspeelplaat keer op keer: “als hij echt om me gaf dan nam hij contact met me op.” Ze wilde graag contact. Ze wilde weten waarom hij zo’n impact op haar had. Waarom ze hem na bijna negen jaar nog steeds niet kon vergeten?
Een half jaar geleden was hij vertrokken van haar eiland naar een nieuw leven zo’n 9.000km verwijderd van haar. In het begin was zijn weggaan een opluchting geweest. Eindelijk kon ze zich vrij verplaatsen zonder bang te zijn om hem weer tegen het lijf te lopen. Ze hoefde niet meer op te letten om op de ‘verkeerde’ plaats te zijn. Ze ervoer het als een enorme vrijheid. Eindelijk was het haar eiland en niet langer zijn eiland waar ze woonde.
Ze nam zich voor om zijn weggaan te gebruiken als definitief afscheid. Hij was weg. En zij was begonnen met een nieuw leven. Een leven zonder zijn aanwezigheid. Het zou makkelijker worden nu de dreiging weg was hem te ontmoeten.
Die vrijheid had zo’n drie maanden geduurd. Hij kwam voor een week terug naar haar eiland. En toevallig waren ze uitgenodigd op hetzelfde feest. Tijdens het feest had hij haar met rust gelaten. En hoewel ze wist waar hij zich elke minuut bevond – een gave die ze in de laatste jaren had ontwikkeld – had ze niet naar hem omgekeken. Hij was al weggegaan. Ze had nauwelijks tijd om diep en opgelucht adem te halen, toen hij zo maar opeens naast haar kwam zitten. Ze voelde zich verraden. Hij stelde haar de meest onnozele vraag. Ze wist niet goed hoe ze moest reageren. Ze voelde zijn aanwezigheid weer haar leven binnen donderen. Er volgde een kort gesprekje, dat nergens toe leidde, tot hij op stond en weer uit de ruimte verdween. Maar zijn aanwezigheid bleef in haar. De wijze waarop hij haar had aangekeken en de wijze waarop hij haar hand had aangeraakt. Het had haar weer in een extase gebracht. Of ze dat nu wilde of niet. Ze was woedend. Hoe durfde hij, nadat hij alles had afgesloten? Wat wilde hij haar bewijzen? Dat ze een makkelijke prooi was voor hem? En waarom stelde hij zo’n onnozele en oppervlakkige vraag? Waarom kon hij niet gewoon vragen hoe het met haar ging?
Maanden later had ze hem een berichtje gestuurd en hem gevraagd hoe het met hem was. Hij had vlot geantwoord: “Goed, het regent minder.” Ze walgde van zijn antwoord. Ze wilde emoties en gevoelens horen – niet het weerbericht -. Maar emoties en gevoelens toonde hij nooit. Alles was altijd oppervlakkig. Ze wilde diepgang, maar ze kon niet anders dan toegeven dat zij net zo gesloten was als hij. Ze kon haar emoties en gevoelens ook niet aan hem tonen. Als hij aan haar zou vragen hoe het met haar ging, zou ze ook niet verder komen dan een opgewekt ‘goed’, terwijl ze hem eigenlijk zou willen vertellen hoe het echt met haar ging.
Ondanks zijn weggaan, draaiden ze rond in dezelfde cirkels die beiden niet konden verbreken.
© Koningin der Decadentie
Het spijt me
Het is niet realistisch van mij om te eisen dat jij voldoet aan mijn verwachtingen.
Het is niet juist van mij om te eisen dat jij verandert om aan mijn verwachtingen te voldoen.
Als ik werkelijk om jou zou geven zou ik houden van de persoon die je bent.
Als ik werkelijk van jou zou houden, zou ik mezelf veranderen zodat mijn verwachtingen voldeden aan wie jij kunt zijn.
Het spijt me.
© Koningin der Decadentie
Jaloezie
Ze had het gehoord. Ze wist nog precies het moment. Haar wereld had even stil gestaan. Iemand had het gewoon gezegd. Hij gaat weg. Hij gaat verhuizen. Weg van haar eiland. Weg uit haar wereld. Dagenlang had ze gehuild. Elke keer als ze er weer aan dacht, voelde ze dat haar keel werd afgesneden. Dit was het einde van hun ‘relatie’. Een relatie die nooit had bestaan in de realiteit. Alleen maar bestond in haar werkelijkheid.
Ze kon accepteren dat hij haar niet zag staan. Ze kon aanvaarden dat haar liefde niet wederzijds was. Als ze hem maar van een afstand kon observeren. Als ze maar naar hem mocht kijken. Bewonderen. Soms.
De illusie van het simpelweg weten dat er altijd een kans was hem onverwachts tegen te komen.
Dat was nu voorbij. Hij ging weg.
Er waren momenten dat ze verlangde hem nog een keer te kunnen spreken. Om hem te vertellen wat ze werkelijk voelde voor hem. Maar ze wist dat dat onmogelijk zou zijn. Een klein jaartje geleden had ze hem gedwongen tot een gesprek. Alles wat ze zei had hij verkeerd opgepakt. Haar poging om tot een normaal contact te komen was hopeloos gestrand. Hij werd verteerd door jaloezie. Zij was alles wat hij wilde zijn. Zij had maatschappelijk succes. Maar dat was niet wat zij wilde. Ze had het voor hem gedaan. In de hoop dat hij zou zien wie ze werkelijk was en in de hoop dat er een dag zou komen dat hij haar zou aanvullen. Ze wilde één met hem zijn. Ze wilde samen met hem genieten van de successen.
Weer zag ze hem als het jongetje dat op een kinderfeestje aan de kant stil op een stoel zat. Kijkend naar de kinderen die met veel lawaai deden wat er in hen op kwam en schijnbaar plezier hadden.
Zij had hem in haar spel willen betrekken. Maar des te harder ze hem van zijn stoel aftrok, des te steviger klemde hij zich vast aan zijn stoel, aan zijn werkelijkheid.
Hij wilde het zelf doen. Alleen. Hij had haar hulp niet nodig.
En nu ging hij weg.
Alles was voor niets.
© Koningin der Decadentie
Zelfdestructief
Ze had die nacht gedroomd: Ze liep samen met hem over een weg. Een rechte weg over een dijk met groen gras aan de zijkanten. Zij liep aan de bermkant. Hij zweeg en stapte met een behoorlijk tempo door. Ze deed haar best om hem bij te houden. Elke keer kwam hij dichter bij haar lopen, waardoor hij haar bijna de weg afduwde. Ze moest moeite doen om op de weg te blijven en niet van de groene helling af te rollen. Ze moest elke keer een stap achteruit zetten als hij haar de pas afsneed. Maar dan maakte hij ruimte zodat ze weer naast hem kon lopen. Totdat ze er genoeg van had en aan de andere kant van hem ging lopen. Hij zei niets maar gaf opeens haar zware tas met boeken terug, die hij droeg.
Ze stond voor dezelfde zee als ze jaren geleden had gestaan, toen ze vastbesloten was een eind aan haar leven te maken. Een eind aan haar pijn. Ze observeerde de zee en haar golven. De manier waarop de zee zich onophoudelijk met immense kracht op de scherpe donkere rotsen wierp. Steeds weer. Het proberen om een relatie met hem te hebben was alsof ze in die zee lag. Elke keer bracht hij haar op zijn golven tot grote hoogten om haar vervolgens keihard op de rotsen te werpen. En om haar daarna weer op te nemen in zijn armen. Elke keer raakte ze dieper gewond. Het was zelfdestructief. Net als de zee had hij geen notie van haar bestaan en haar pijn. Het maakte hem niet uit of zij in zijn leven was. Hij gaf niets om haar. Dat werd bij elke golfslag duidelijker.
Ze dacht aan haar droom die haar eigenlijk hetzelfde vertelde. Bij hem kon ze nooit zijn wie ze wilde zijn. Hij zou haar altijd de pas afsnijden om haar vervolgens weer ruimte te geven. Het was een spelletje dat steeds weer opnieuw werd gespeeld. Zonder einde. Ze wilde uit die zee. Ze wilde weg van hem. Weg van haar eigen drang tot zelfdestructie.
In haar een groeide het verlangen naar een man die haar bewonderde, die om haar gaf, die lief was voor haar. Die haar toonde dat hij zich bewust was van haar bestaan.
© Koningin der Decadentie
Verslaafd aan een obsessie
Het was tien dagen geleden sinds het artikel ‘Tien tekenen dat je verslaafd bent’ had gelezen. Toch leek het alsof ze het tijdschrift net naast haar neer had gelegd. Elk woord had haar diep geraakt. Het had haar ogen geopend. Ze was verslaafd aan hem.
Ze wilde bij hem zijn. Ze wilde hem gade slaan in alles wat hij deed. Als hij sliep, at, werkte, in zijn auto reed… Ze wilde overal zijn waar hij was. Ze wilde weten wat hij dacht. Ze wist zijn verjaardag, zijn adres, zijn nummerbord. Ze was geobsedeerd. Ze had zichzelf niet onder controle.
Toch wilde ze uit zijn buurt blijven. Zijn aanwezigheid verlamde haar. Als ze hem zag, kon ze alleen maar staren, zodat ze al zijn bewegingen, veranderingen en uitspraken in zich op kon nemen. Om er later nog uren over te mijmeren.
Hij bracht haar tegenstrijdige verlangens. Het maakte haar krankzinnig. Ze wilde dat hij haar met rust liet, maar tegelijkertijd wilde ze al zijn aandacht voor haar alleen. Ze wilde met hem praten, hem vasthouden. Ze wilde met hem trouwen en zijn vrouw zijn, zodat iedereen zou weten dat hij aan haar toebehoorde. Maar zelfs dat was niet genoeg. Ze wilde één met hem zijn. Ze wilde zijn gedachten, zijn emoties en zijn voorkeuren delen. Misschien sprak de idee van tweelingzielen haar daarom aan. Als haar ziel de zijne was, dan kon hij haar nooit verlaten. Dan was hij voor eeuwig bij haar.
Ze zuchtte. Ze moest een manier vinden om zich te bevrijden van deze verslaving. Het was niet gezond. Waarom kon ze niet zijn zoals hij was; hij was ‘gewoon’ verslaafd aan alcohol en sigaretten.
In haar lichaam voelde ze weerstand om haar verslaving op te geven. Het voelde veilig. Ze had iets wat altijd bij haar was en waarover ze op elk gewenst moment kon fantaseren. Ze had altijd iets te doen. Het artikel had het over een stappenplan. De eerste stap was de erkenning. Ze glimlachte. Het was niet moeilijk om toe te geven dat ze verslaafd was en dat dat niet gezond was. De eerste stap had ze al genomen.
De tweede stap was haar leven voor te stellen zonder de verslaving. Wat zou ze allemaal kunnen doen als ze niet meer verslaafd zou zijn? Het bleef leeg. Geen toekomstbeeld doemde op. Dat was wel anders als ze fantaseerde over een toekomstbeeld met hem. Dan kwamen de beelden als vanzelf. Die beelden maakten haar gelukkig. Ze brachten haar in een roes, een droomwereld waarin ze vergat wie ze werkelijk was. Een eenzame vrouw zonder sociale vaardigheden.
Ze moest een nieuw doel zoeken voor haar leven. Misschien een relatie met een andere man. Dat was de meest voor de handliggende optie. Het voelde als een goedkoop subsitituut. Ze had dat al eens geprobeerd en het had haar behoeften weinig vervuld. Ze wilde een relatie met hem en alleen met hem. Maar hij niet met haar. Het was dus niet mogelijk. Zo simpel was dat.
Eigenlijk was er niemand die bij haar paste. Ook hij niet, want hij hield niet van haar. Maar waarom was ze dan toch zo verslaafd aan hem?
Het voelen van onvoorwaardelijke liefde
Ik wilde onvoorwaardelijk van hem houden. Dat was mijn doel. Ik vroeg me af of het überhaupt mogelijk was om onvoorwaardelijk liefde te voelen zonder hem te willen bezitten of te veranderen.
Ik weet wat goed is voor mij en mij alleen, zoals hij weet wat goed is voor hem. Ik kan mijn hand aanreiken, maar hij zal die zelf moeten willen pakken. Hoe vaak wil ik zijn problemen oplossen zonder dat ik echt weet of hij wel van zijn problemen af wil? Nee, ik wil gelijk de helpende hand bieden omdat het is veel makkelijker om direct oplossingen te bedenken voor zijn problemen dan hem te zien ploeteren. Ik heb het antwoord al gezegd voordat de vraag is gesteld. Vaak geef ik hem niet eens de tijd om zich bewust te worden van zijn leed. Ik wil er snel een pleister opplakken zodat de wond niet meer te zien is. Maar pleister of niet, de wond zit er nog steeds. En de enige die de wond kan genezen is de bezitter van de wond. Zo is het ook met liefde. Ik zeg te snel dat ik onvoorwaardelijk van hem houd. Voor altijd en eeuwig. In een roes van heftige verliefdheid riep ik “niets kan mijn liefde voor jou veranderen”. Of “ik wil niet dat je verandert, ik hou van je zoals je bent”. Zo voelde ik het.
Zodra ik in gesprek ga met hem, onderneem ik een poging om hem te veranderen. Houdt onvoorwaardelijke liefde dan in dat ik niet meer in gesprek ga?
Ik weet nu dat onvoorwaardelijke liefde is hem los te kunnen laten dat hij het pad volgt dat hij kiest, zonder dat ik wil waarschuwen voor de gevaren. Hem bij te staan indien hij om hulp vraagt zonder het “ik had je het nog zo gezegd”. Te luisteren naar zijn behoeften zonder de behoeften te willen invullen. Het oprecht kunnen zeggen “ik sta naast je, wat je ook doet”. Ook als hij mijn hulp afwijst.
Ik was zo bezeten van hem, dat ik niets anders meer kon dan aan hem denken. Ik wilde onophoudelijk bij hem zijn. Ik wilde hem mijn leven geven. Ik wilde hem helpen en gelukkig maken zodat hij eeuwig zou stralen. Ik wilde zijn zon zijn waar hij zich aan kon warmen, van wie hij levenslust zou ontvangen. Ik wilde zijn maan zijn waarbij hij zich veilig kon voelen in donkere nachten. Ik wilde belangrijk voor hem zijn. Mijn hele wereld draaide om hem en ik eiste dat zijn wereld om mij zou draaien. Maar hij wees me af.
Mijn liefde werd alleen nog heftiger. Ik moest en zou bij hem zijn. Ik was zijn onzichtbare engel. Wat hij ook deed, ik stond achter hem. Ik zou hem tonen wat onvoorwaardelijke liefde was, want ik, ik hield onvoorwaardelijk van hem, of hij nu van mij hield of niet! Dat zei ik tegen mezelf.
Maar toen hij het moeilijk had, kon ik er niet voor hem zijn. Ik werd beperkt door mijn boosheid voor wat hij mij had aangedaan. Mijn boosheid was een wereld geworden waarin ik me veilig voelde. Ik was bang dat te verliezen wat ik zorgvuldig had opgebouwd. Ik kon onmogelijk de stap nemen om weer opnieuw van hem te gaan houden. Mijn zogenaamde onvoorwaardelijke liefde was een valse illusie. Ik dacht dat als ik onvoorwaardelijk van hem hield, het niet hebben van aards contact (zien, spreken, aanraken of ruiken) een contact zou creëren op spiritueel niveau; ik zou onvoorwaardelijk voor eeuwig van hem houden. Het werd een obsessie. Het werd een dwang. Mijn verlangen naar hem overheerste alles. Ik kon niet meer leven. Het maakte mij niets meer uit. Ik wilde niemand zien, ook hem niet. Ik sloot me af van alles. Want ik wilde mijn liefde vasthouden. Ik wilde het beeld wat ik van hem had vasthouden voor eeuwig. Zijn gezicht, zijn houding, zijn bewegingen en zijn stem. Het was me zo lief. Ik was bang dat als ik hem weer zou ontmoeten mijn beeld van hem aan diggelen geslagen zou worden. Dat ik zou zien dat hij helemaal niet zo was zoals ik hem had gecreeërd in mijn gedachten.
Tot het me op een dag duidelijk werd; het is makkelijker om een droombeeld, een ideaal lief te hebben dan de harde werkelijkheid onder ogen te komen. In feite was ik diep in mij bang dat mijn liefde niet zo onvoorwaardelijk zou zijn, als ik mezelf had voorgenomen en dat een ontmoeting met hem mijn liefde en mijn droombeeld zou veranderen. De angst dat mijn ogen met een geweld geopend zouden worden, was zo groot dat ik me wilde verstoppen. De idee dat hij niet kan voldoen aan het beeld wat ik had, deed mij pijn. Ik wilde niet dat hij van zijn voetstuk af zou vallen, ookal gooide ik hem er regelmatig vanaf. Elke keer herstelde ik zijn voetstuk weer. Het was makkelijker om op een afstand te zeggen dat ik hem liefheb met al zijn beperkingen dan dat ik hem werkelijk probeer lief te hebben. Het is veilig om te denken dat de enige factor die mijn liefde kan beïnvloeden ikzelf ben. Dus was het uitgesloten dat ik ooit contact met hem zou hebben. Nu weet ik dat ik geen vertrouwen in hem had.
Ik dacht ooit dat de hoogste vorm van iemand liefhebben de onvoorwaardelijke liefde was waarbij ik geen aanspraak maakte op zijn tijd. Een liefde waarvan ik geen verwachtingen had.
Nu begin ik langzaam te beseffen dat onvoorwaardelijke liefde inhoudt dat ik mezelf accepteer met mijn fouten en de ander accepteer zoals hij is. Onvoorwaardelijke liefde is durven vragen om liefde, haar weggeven en haar weer te ontvangen. Het is een cirkel. Een energie die stroomt en stroomt, net als het water van de zee. Het heeft geen zin om het in te dammen. Op een dag neemt de zee weer terug wat aan haar behoort. Ze overlegt niet. Nooit. Ze is er. En ze is er ook weer niet. Onvoorwaardelijke liefde is bij hem durven te zijn om hem weer los te laten. Durven aanspraak te maken op zijn tijd zonder het te claimen. Geen oplossingen aandragen voor zijn problemen, maar vertrouwen hebben in hem en mezelf.
Onvoorwaardelijke liefde is een balans die continu doorslaat en tegelijkertijd eeuwig in evenwicht is. Ongrijpbaar en onbereikbaar en op hetzelfde moment zit het besloten in mezelf.
© Koningin der Decadentie