Verslaafd aan een obsessie
Het was tien dagen geleden sinds het artikel ‘Tien tekenen dat je verslaafd bent’ had gelezen. Toch leek het alsof ze het tijdschrift net naast haar neer had gelegd. Elk woord had haar diep geraakt. Het had haar ogen geopend. Ze was verslaafd aan hem.
Ze wilde bij hem zijn. Ze wilde hem gade slaan in alles wat hij deed. Als hij sliep, at, werkte, in zijn auto reed… Ze wilde overal zijn waar hij was. Ze wilde weten wat hij dacht. Ze wist zijn verjaardag, zijn adres, zijn nummerbord. Ze was geobsedeerd. Ze had zichzelf niet onder controle.
Toch wilde ze uit zijn buurt blijven. Zijn aanwezigheid verlamde haar. Als ze hem zag, kon ze alleen maar staren, zodat ze al zijn bewegingen, veranderingen en uitspraken in zich op kon nemen. Om er later nog uren over te mijmeren.
Hij bracht haar tegenstrijdige verlangens. Het maakte haar krankzinnig. Ze wilde dat hij haar met rust liet, maar tegelijkertijd wilde ze al zijn aandacht voor haar alleen. Ze wilde met hem praten, hem vasthouden. Ze wilde met hem trouwen en zijn vrouw zijn, zodat iedereen zou weten dat hij aan haar toebehoorde. Maar zelfs dat was niet genoeg. Ze wilde één met hem zijn. Ze wilde zijn gedachten, zijn emoties en zijn voorkeuren delen. Misschien sprak de idee van tweelingzielen haar daarom aan. Als haar ziel de zijne was, dan kon hij haar nooit verlaten. Dan was hij voor eeuwig bij haar.
Ze zuchtte. Ze moest een manier vinden om zich te bevrijden van deze verslaving. Het was niet gezond. Waarom kon ze niet zijn zoals hem; hij was ‘gewoon’ verslaafd aan alcohol en sigaretten.
In haar lichaam voelde ze weerstand om haar verslaving op te geven. Het voelde veilig. Ze had iets wat altijd bij haar was en waarover ze op elk gewenst moment kon fantaseren. Ze had altijd iets te doen. Het artikel had het over een stappenplan. De eerste stap was de erkenning. Ze glimlachte. Het was niet moeilijk om toe te geven dat ze verslaafd was en dat dat niet gezond was. De eerste stap had ze al genomen.
De tweede stap was haar leven voor te stellen zonder de verslaving. Wat zou ze allemaal kunnen doen als ze niet meer verslaafd zou zijn? Het bleef leeg. Geen toekomstbeeld doemde op. Dat was wel anders als ze fantaseerde over een toekomstbeeld met hem. Dan kwamen de beelden als vanzelf. Die beelden maakten haar gelukkig. Ze brachten haar in een roes, een droomwereld waarin ze vergat wie ze werkelijk was. Een eenzame vrouw zonder sociale vaardigheden.
Ze moest een nieuw doel zoeken voor haar leven. Misschien een relatie met een andere man. Dat was de meest voor de handliggende optie. Het voelde als een goedkoop subsitituut. Ze had dat al eens geprobeerd en het had haar behoeften weinig vervuld. Ze wilde een relatie met hem en alleen met hem. Maar hij niet met haar. Het was dus niet mogelijk. Zo simpel was dat.
Eigenlijk was er niemand die bij haar paste. Ook hij niet, want hij hield niet van haar. Maar waarom was ze dan toch zo verslaafd aan hem?
Het voelen van onvoorwaardelijke liefde
Ik wilde onvoorwaardelijk van hem houden. Dat was mijn doel. Ik vroeg me af of het überhaupt mogelijk was om onvoorwaardelijk liefde te voelen zonder hem te willen bezitten of te veranderen.
Ik weet wat goed is voor mij en mij alleen, zoals hij weet wat goed is voor hem. Ik kan mijn hand aanreiken, maar hij zal die zelf moeten willen pakken. Hoe vaak wil ik zijn problemen oplossen zonder dat ik echt weet of hij wel van zijn problemen af wil? Nee, ik wil gelijk de helpende hand bieden omdat het is veel makkelijker om direct oplossingen te bedenken voor zijn problemen dan hem te zien ploeteren. Ik heb het antwoord al gezegd voordat de vraag is gesteld. Vaak geef ik hem niet eens de tijd om zich bewust te worden van zijn leed. Ik wil er snel een pleister opplakken zodat de wond niet meer te zien is. Maar pleister of niet, de wond zit er nog steeds. En de enige die de wond kan genezen is de bezitter van de wond. Zo is het ook met liefde. Ik zeg te snel dat ik onvoorwaardelijk van hem houd. Voor altijd en eeuwig. In een roes van heftige verliefdheid riep ik “niets kan mijn liefde voor jou veranderen”. Of “ik wil niet dat je verandert, ik hou van je zoals je bent”. Zo voelde ik het.
Zodra ik in gesprek ga met hem, onderneem ik een poging om hem te veranderen. Houdt onvoorwaardelijke liefde dan in dat ik niet meer in gesprek ga?
Ik weet nu dat onvoorwaardelijke liefde is hem los te kunnen laten dat hij het pad volgt dat hij kiest, zonder dat ik wil waarschuwen voor de gevaren. Hem bij te staan indien hij om hulp vraagt zonder het “ik had je het nog zo gezegd”. Te luisteren naar zijn behoeften zonder de behoeften te willen invullen. Het oprecht kunnen zeggen “ik sta naast je, wat je ook doet”. Ook als hij mijn hulp afwijst.
Ik was zo bezeten van hem, dat ik niets anders meer kon dan aan hem denken. Ik wilde onophoudelijk bij hem zijn. Ik wilde hem mijn leven geven. Ik wilde hem helpen en gelukkig maken zodat hij eeuwig zou stralen. Ik wilde zijn zon zijn waar hij zich aan kon warmen, van wie hij levenslust zou ontvangen. Ik wilde zijn maan zijn waarbij hij zich veilig kon voelen in donkere nachten. Ik wilde belangrijk voor hem zijn. Mijn hele wereld draaide om hem en ik eiste dat zijn wereld om mij zou draaien. Maar hij wees me af.
Mijn liefde werd alleen nog heftiger. Ik moest en zou bij hem zijn. Ik was zijn onzichtbare engel. Wat hij ook deed, ik stond achter hem. Ik zou hem tonen wat onvoorwaardelijke liefde was, want ik, ik hield onvoorwaardelijk van hem, of hij nu van mij hield of niet! Dat zei ik tegen mezelf.
Maar toen hij het moeilijk had, kon ik er niet voor hem zijn. Ik werd beperkt door mijn boosheid voor wat hij mij had aangedaan. Mijn boosheid was een wereld geworden waarin ik me veilig voelde. Ik was bang dat te verliezen wat ik zorgvuldig had opgebouwd. Ik kon onmogelijk de stap nemen om weer opnieuw van hem te gaan houden. Mijn zogenaamde onvoorwaardelijke liefde was een valse illusie. Ik dacht dat als ik onvoorwaardelijk van hem hield, het niet hebben van aards contact (zien, spreken, aanraken of ruiken) een contact zou creëren op spiritueel niveau; ik zou onvoorwaardelijk voor eeuwig van hem houden. Het werd een obsessie. Het werd een dwang. Mijn verlangen naar hem overheerste alles. Ik kon niet meer leven. Het maakte mij niets meer uit. Ik wilde niemand zien, ook hem niet. Ik sloot me af van alles. Want ik wilde mijn liefde vasthouden. Ik wilde het beeld wat ik van hem had vasthouden voor eeuwig. Zijn gezicht, zijn houding, zijn bewegingen en zijn stem. Het was me zo lief. Ik was bang dat als ik hem weer zou ontmoeten mijn beeld van hem aan diggelen geslagen zou worden. Dat ik zou zien dat hij helemaal niet zo was zoals ik hem had gecreeërd in mijn gedachten.
Tot het me op een dag duidelijk werd; het is makkelijker om een droombeeld, een ideaal lief te hebben dan de harde werkelijkheid onder ogen te komen. In feite was ik diep in mij bang dat mijn liefde niet zo onvoorwaardelijk zou zijn, als ik mezelf had voorgenomen en dat een ontmoeting met hem mijn liefde en mijn droombeeld zou veranderen. De angst dat mijn ogen met een geweld geopend zouden worden, was zo groot dat ik me wilde verstoppen. De idee dat hij niet kan voldoen aan het beeld wat ik had, deed mij pijn. Ik wilde niet dat hij van zijn voetstuk af zou vallen, ookal gooide ik hem er regelmatig vanaf. Elke keer herstelde ik zijn voetstuk weer. Het was makkelijker om op een afstand te zeggen dat ik hem liefheb met al zijn beperkingen dan dat ik hem werkelijk probeer lief te hebben. Het is veilig om te denken dat de enige factor die mijn liefde kan beïnvloeden ikzelf ben. Dus was het uitgesloten dat ik ooit contact met hem zou hebben. Nu weet ik dat ik geen vertrouwen in hem had.
Ik dacht ooit dat de hoogste vorm van iemand liefhebben de onvoorwaardelijke liefde was waarbij ik geen aanspraak maakte op zijn tijd. Een liefde waarvan ik geen verwachtingen had.
Nu begin ik langzaam te beseffen dat onvoorwaardelijke liefde inhoudt dat ik mezelf accepteer met mijn fouten en de ander accepteer zoals hij is. Onvoorwaardelijke liefde is durven vragen om liefde, haar weggeven en haar weer te ontvangen. Het is een cirkel. Een energie die stroomt en stroomt, net als het water van de zee. Het heeft geen zin om het in te dammen. Op een dag neemt de zee weer terug wat aan haar behoort. Ze overlegt niet. Nooit. Ze is er. En ze is er ook weer niet. Onvoorwaardelijke liefde is bij hem durven te zijn om hem weer los te laten. Durven aanspraak te maken op zijn tijd zonder het te claimen. Geen oplossingen aandragen voor zijn problemen, maar vertrouwen hebben in hem en mezelf.
Onvoorwaardelijke liefde is een balans die continu doorslaat en tegelijkertijd eeuwig in evenwicht is. Ongrijpbaar en onbereikbaar en op hetzelfde moment zit het besloten in mezelf.
© Koningin der Decadentie
De droom
Hij verscheen in haar droom. Ze was op de school waar ze lang geleden op gezeten had. Er was een feest gaande. Ze wist dat hij daar ook was. Ze zag hem. Ze wilde hem zien en toch ook weer niet. Hem zien betekende dat hij haar ook kon zien. Stiekem keek ze naar hem. Hij was gekleed in een geruite broek en effen shirt. Niet echt volgens de laatste mode, maar hij kon van alles aantrekken en nog zag hij er fantastisch uit, vond zij. Terwijl ze zijn khaki-kleurige kleding bestudeerde werd zij zich bewust van de kleding die zij droeg. Ook zij droeg een geruite broek en een effen shirt. Maar haar kleding was niet in stijl zoals de zijne. Het waren schreeuwerige kleuren die niet bij elkaar paste. Ze raakte in paniek. Zo mocht hij haar niet zien. Hij zou denken dat zij geen kleurgevoel bezat. Iets wat haar opeens er belangrijk leek. Ze voelde zijn aanwezigheid; hij was heel dichtbij haar. Ze voelde dat hij naar haar keek. Ze zag zijn broek en shirt. Ze durfde hem niet aan te kijken. Ze probeerde weg te komen uit de ruimte waar hij was.
Toen ze veilig ver verwijderd uit zijn blikveld tot bedaren kwam, voelde zij zich schuldig omdat ze hem niet had durven groeten. Het voelde als een gemiste kans. Ze werd moedeloos van zichzelf. Ze zou nooit in het reine kunnen komen met hem.
De hele dag bleef haar droom haar achtervolgen. Het was haar schuld. Zij was degene die zich continu schaamde niet te voldoen aan zijn verwachtingen of liever haar eigen verwachtingen. Zij was degene die weg bleef van hem. Het was haar schuld.
© Koningin der Decadentie
Narcissus 2
Ze had zich teruggestrokken in de achterste kamer van het huis. Ze was de aandacht moe. Het voelde alsof iemand anders in haar lichaam was gekropen en haar leven had overgenomen. Het kostte haar te veel energie. In de afgelopen week had ze een presentatie gehouden over haar successen. Vlak erna had ze zich dankbaar gevoeld. Ze wist dat zij haar successen te danken had aan hem. Als hij haar destijds niet had afgewezen, had ze nooit de drang gevoeld zich te bewijzen. Ze had het allemaal gedaan voor hem, zodat hij zou zien dat hij iets kostbaars aan de kant had gezet. Hij was niet eens aanwezig geweest. Hij wist niet eens dat ze een poging ondernomen had te schitteren. Het was zoals het altijd was. Hij was niet geïnteresseerd in haar.
Nu ze alleen was, had ze spijt dat ze de presentatie had gedaan. Ze had het gevoel dat ze, zodra ze op de voorgrond trad, de controle kwijtraakte over haar leven. Ze had een enorme angst om de grip te verliezen zodat ze niet meer weloverwogen en goeddoordacht haar acties kon kiezen. Het ging haar te snel. Dat was ook de reden waarom ze met schrijven was begonnen. Schrijven gaf haar de kans haar leven te orderen en het te perfectioneren.
De kamer – of wat er nog van over was – had ze opgeruimd en schoongemaakt. Na uren boenen had hij haar een glanzende tegelvloer als beloning gegeven. In het midden van de kamer ging ze zitten. Om de lucht te reinigen stak ze een wierookstokje aan. Het stond voor haar. Terwijl ze naar de rook keek die langzaam in kringetjes zijn weg naar boven vond dwaalde haar gedachten af naar hem.
Ze zag hoe de rook van het wierookstokje spiegelde in de tegelvloer. Hij was haar spiegelbeeld. Elke keer als ze bewonderend naar hem keek wist ze wat ze moest veranderen aan haarzelf om meer succes te krijgen. Met de bewondering kwam ook de afgunst. Het schipperde constant tussen die twee emoties; afgunst en bewondering. Iemand had haar niet zo lang geleden gezegd dat hij best jaloers was op de dingen die ze deed. Eerst had het haar trots gemaakt. Het was een teken dat haar successen tot hem waren door gedrongen. Daarna overviel haar een deprimerend gevoel. Ze wilde niet dat hij jaloers was. Ze had het voor hem gedaan. Liever had ze het samen met hem gedaan. Wat had het voor nut dat hij jaloers was op haar? Dat maakte de kloof tussen hen alleen maar groter. Net als de rook die opsteeg in de spiegelende vloer. De afstand tussen beeld en spiegelbeeld werd met elke zuchtje wind groter. Het werd haar duidelijk. Als hij haar spiegelbeeld was dan zouden ze nooit bij elkaar kunnen komen. Wat ze voor hem voelde was enkel eigenliefde. Zij waren samen Narcissus.
© Koningin der Decadentie
Boodschap
Er zijn dingen die Tijd niet kan wissen.
Hoeveel levens ik ook leef.
Mijn liefde voor jou blijft.
© Koningin der Decadentie
Zielsveel
Ze hield van hem. Ze hield zielsveel van hem. Het was niet zijn lichaam wat ze begeerde, want dat stond haar niet aan. Het waren niet de dingen die hij deed, want in haar ogen maakte hij een puinhoop van zijn leven.
Het was de blik in zijn ogen als hij haar aankeek. Het was zijn stem als hij haar naam zei.
In zijn nabijheid was ze simpel wie ze was. Eén en al aandacht voor hem.
Maar als hij weer weg was voelde zij zich verloren, geämputeerd en afgesneden van haar levensbron. Het kostte dagen om zich weer één te voelen met haarzelf. Daarom wilde ze hem niet zien. Hij raakte haar diep van binnen. Hij veranderde haar wezenlijk.
© Koningin der Decadentie
Haat
Terwijl ze de kibbelende vogeltjes op het terras bestudeerde, dacht ze aan de keer dat hij haar had afgewezen. Hoe durfde hij haar dramatisch en kinderlijk te noemen. Hij was degene vol drama en een klein kind. Niet zij. Haar gedachten begonnen te razen: “Als hij zou weten wat ik voor hem heb gedaan. Hoe ik mijn hart uit mijn lichaam rukte om mijn boosheid niet te tonen. Hoe ik mijn bittere tranen verborg in een poel van zwart verdriet waarin ik het liefst had willen verdrinken, maar ik bleef zwemmen. Hoe ik het intense verlangen in mezelf hield om hem niet lastig te vallen met mijn passionele liefdesbetuigingen. Dat alles deed ik alleen maar zodat hij zich zelfverzekerd zou voelen in mijn aanwezigheid. Inmiddels weet ik dat zou ik in zijn nabijheid schreeuwen, in woede uitbarsten of hysterisch huilen. Het zou hem niets uitmaken. Hij is zo ingenomen met zichzelf dat hij niet begrijpt wat het inhoudt om deze gevoelens te hebben. Hij is zo ijdel. Hij weet niet wat het is om weg te zinken in de dramatische ellende die hij zelf geschapen zou hebben.
Hij hoeft me niet te redden. Ik heb zijn uitgestoken hand niet nodig. Dit keer red ik mezelf wel!”
Haar boosheid voelde zinloos aan. Hoe vaak had ze dat al bedacht. Elke keer als ze in radeloze woede de grond onder haar goed had aangestampt zodat het een solide basis zou vormen voor haar ego, kwam ze hem weer tegen en verwijderde hij zonder enige moeite de aarde onder haar voeten. Ze zonk steeds dieper en dieper. Een eindeloos verhaal. Een bodemloos moeras. Het is onmogelijk om liefde te voelen voor een man die enkel oog heeft voor zijn eigen spiegelbeeld. Ze haatte hem. Ze haatte hem zo intens.
Dat had ze hem toen moeten zeggen.
“Nee”, bedacht ze zich, “er is een reden waarom ik hem heb ontmoet.” Zou het echt zijn dat hij haar tweelingziel was? Dat zij, voor zij in de stof waren wedergekeerd, elkaar beloofd hadden om elkaar te prikkelen zodat zij zich bewust zouden worden van het Leven en dat zij zouden leren wat het is om iemand onvoorwaardelijk lief te hebben? Dat zij oprecht zouden kunnen zeggen dat zij van elkaar hielden ook als zij dachten dat het niet zo was? Dat zij van elkaar hielden ondanks alles? Waarom toonde hij dan nooit zijn gevoelens?
Al haar voornemens om hem onvoorwaardelijk lief te hebben, vielen in het niets. Ze kon niet zijn wat zij had beloofd. Op aarde golden blijkbaar andere wetten, regels en beperkingen. Ze kon niet onvoorwaardelijk liefhebben. Hem steunen zonder enige voorwaarden. Nu het moment was gekomen om tot een verzoening te komen, kon ze niet de stap maken. Ze zat vast in haar werkelijkheid. Gevangen in haar eigen ideeën. Ze wilde niet losbreken. Hoe groot de beloning ook zou zijn. Ze kon het niet. Het was makkelijker om hem te haten.
© Koningin der Decadentie
Wraak
Ze deed haar best om uit zijn buurt te blijven. Ze probeerde openbare gelegenheden te mijden. Zeker als ze wist dat er een kleine kans was dat hij daar aanwezig zou zijn. Het liefste sloot zij zich op in haar huis. Ver weg van zijn wereld. Ze wilde echter niet dat anderen zouden denken dat zij hem vermeed. Voor de buitenwereld was er niets tussen hen. Er waren momenten dat ze verplicht was om haar gezicht te laten zien aan die buitenwereld. Ze ging met tegenzin. Bang dat hij er ook zou zijn en dat hij haar zou aanspreken. De herinnering aan het laatste gesprek stond in haar geheugen gegrift. Ze had voor hem gestaan en had geen passende woorden kunnen vinden. Dat wilde ze nooit meer meemaken. Ze moest bij hem weg blijven.
Toen ze verwikkeld was in een gesprek, zag ze hem opeens in de menigte. Ze schrok. Ze probeerde zich te beheersen en in haar gesprek te blijven. In haar binnenste was een gevecht gaande. Ze wilde weg. Na een tijdje keek ze op het horloge van haar gesprekspartner. “Is het al zo laat?”, riep ze gemaakt uit. “Oh, ik moet er nu echt vandoor.” Ter plaatse verzon ze bezigheden die nog gedaan moesten worden waarmee zich zou kunnen verontschuldigen. Ze probeerde ongemerkt de gastvrouw te localiseren, zonder in zijn richting te kijken. Haar schrik was groot toen ze zag dat ze langs hem moest om haar te bereiken. Met een rechte rug liep ze naar de gastvrouw. Vanuit haar ooghoeken zag ze hoe hij een poging ondernam om haar aan te spreken. Ze negeerde zijn pogingen en kwam bij de gastvrouw. Met haar meest charmante glimlach nam ze afscheid om vervolgens uit de menigte te stappen. Een paar stappen verwijderd kon ze opgelucht adem halen. Het was haar gelukt om zonder gezichtsverlies te verdwijnen.
Toch voelde ze zich naar. Het bleef in haar hoofd hangen. Ze wilde hem niet negeren. Ze wilde hem geen pijn doen. Maar dit was de enige wijze die ze kon bedenken om zichzelf geen pijn te doen. Ze walgde van haar gedrag.
Na een paar dagen voelde ze zich beter. Daar had ze mooi een eind aan gemaakt. Die zou geen contact meer met haar opnemen. Hij zou achterlijk zijn als hij nog contact met haar zocht. Zo hardleers zou hij toch niet zijn? Haar leven was weer van haar! Een jubelstemming nam bezit van haar. Ze voelde de macht die ze had. Dat vond ze heerlijk. Ze genoot van de gedachte dat hij haar had willen groeten, maar dat zij de controle had om te beslissen wanneer hij haar mocht groeten.
Het duurde een paar weken voordat ze hem weer tegen kwam in het verkeer. Zijn auto herkende ze direct. Hij keek niet naar haar. “Goed zo,” dacht ze, “die heeft zijn les geleerd”. Maar het zat haar niet lekker. Elke keer moest ze weer denken aan het moment. Ze begon zich af te vragen of hij haar opzettelijk had genegeerd. Ze voelde zich niet gezien. Misschien had hij haar niet gezien. Ze durfde het niet toe te geven, maar eigenlijk wilde ze dat hij naar haar keek. Misschien was ze voor hem niet belangrijk meer. Dat krenkte haar.
© Koningin der Decadentie
Meditatie
Ze wilde klaar met hem zijn. Ze besloot de raad van het oude vrouwtje op te volgen en te mediteren. Tijdens de meditatie zou ze visualiseren dat ze afscheid van hem nam. Ze ging zitten op de koele grond en ademde rustig in en uit. Toen ze zich stil en sereen voelde, visualiseerde ze een ballon. Elke keer probeerde ze haar negatieve gedachten in de ballon te blazen. Ze nam afscheid van hen alle, zodat hij haar niet langer dwars zou zitten. De ballon werd groter en groter. Na een paar minuten was de ballon groot en gevuld. Ze legde er een denkbeeldige knoop in. Terwijl ze nogmaals afscheid nam en zichzelf overtuigde dat die gedachten niet langer meer van haar waren, liet ze de ballon los. Ze keek vredig toe hoe de ballon omhoog steeg. Het voelde goed.
Haar visualisatie werd wreed verstoord toen hij plots binnen stapte. Met een speld prikte hij bruusk de ballon lek. De ballon knalde luid en fladderde naar alle hoeken van de kamer: “Je bent nog lang niet klaar met mij!”
Ze voelde zich leeg en teleurgesteld. Zelfs in haar visualisaties intimideerde hij nog.
© Koningin der Decadentie
De Waarheid
Op het bankje zat het vrouwtje, klein en tenger van stuk, gekleed in een helderwit gewaad. Haar haren, door de tijd tot puur zilver geworden, waren strak gebonden in een klein staartje in haar nek. Haar huid was zacht, nagenoeg rimpeloos doorzichtig wit. Zoals ze daar zat in de eerste zonnestralen, haar broze handen vredig in haar schoot gelegd kijkend naar het ruwe maagdelijke landschap om haar heen, was het alsof God was neergestreken om te genieten van zijn schepping.
Anna parkeerde haar auto. Terwijl ze uitstapte viel haar oog op de dorre grond waar een dode hagedis een mooi grafisch patroon vormde. Anna bleef even staan. Ze bewonderde de lijnen van de platte hagedis. Er was enkel een afdruk van hem. Vervolgens liep ze naar het bankje en ging ze naast het vrouwtje zitten. Ze wist waarom Anna gekomen was.
“Och meisje,” zei ze lachend nadat Anna haar verhaal had verteld, “er is niets heerlijker in de wereld dan hopeloos verliefd te zijn, vind je niet? Weet je,” zei ze terwijl ze teder de hand van Anna pakte en wat dichter naar haar toe schoof, “liefde zorgt dat de wereld draait. Liefde is een energie die rechtstreeks van God komt. Ookal heeft hij je afgewezen, het maakt niets uit. Je weet nu dat je in staat bent om iemand lief te hebben. Dat is wat hij jou geleerd heeft. Het vermogen om te houden van een ander. Is dat niet het grootste geschenk dat hij jou had kunnen geven? Kijk naar hem met liefde. Hij is je leraar, je begeleider. Voor je in dit leven stapte heb je met hem afgesproken dat hij je deze les zou geven. Wees toch niet boos op degenen die je helpen je leven zin te geven.”
De woorden gaven Anna geen troost maar maakte haar boos en opstandig.
“Nee,” schreeuwde ze, “liefde is niet zoetsappig en mooi. Liefde is lijden.” Anna vervolgde: “Geloof me, als mijn liefde voor hem een doodgewoon verliefdheidje was geweest. Iets waar ik jaren later nog met weemoed aan terug zou denken om te verzuchten wat een fijne tijd het was. Iets waardevols waar ik op stormachtige dagen stil over zou kunnen dromen. Dan was ik hier niet gekomen. In mijn buik zijn geen vlinders te bekennen die zoet zweven bij het denken aan de tijd die we samen hadden of bij het zien van zijn aanwezigheid. Het doet me niet blij en sprankelend glimlachen. Mijn wereld kleurt niet zachtroze. Gedachten aan hem maken mij niet simpelweg lief en gelukkig. Ze vernederen me. Elke keer als ik hem zie of aan hem denk, overvalt me de keer dat hij me afwees. Elke herinnering wordt overschaduwd door een aanval van pure woede en misselijkheid veroorzaakt door een duister en pijnlijk gevoel van vleermuizen die raaklings in mijn maagzuur scheren tot ik vol afschuw smeek om genade. Het maakt me duivels en scherp, gereed om de eerste persoon die in mijn buurt durft te komen om te brengen met mijn zwarte cynisme.” Ze rukte haar hand los.
“Mijn gevoelens zijn zo tegenstrijdig. Ik voel hem als één met mij. Elke keer als ik mezelf zoek, kom ik bij hem uit. Dan blijkt dat ik meer hem ben en hij meer mij is, dan ik mezelf ben. Alles wat hij doet, voel ik. Zijn leed is de mijne. Zijn vreugde is mijn geluk. Samen zijn we één. Onze ziel wil weer één zijn. Hij is mijn Tweelingziel. Maar als ik hem zie, raak ik in paniek. Alleen het idee al om hem te ontmoeten, maakt me misselijk. Een confrontatie waar ik niet op zit te wachten. Ik wil hem niet meer zien. Ik kan de stap niet nemen. Het conflict tussen ons is een innerlijke strijd in mij geworden.”
“Maar wat als je hem weer tegenkomt?”
“Wat ik niet zie, dat is er niet.”, antwoordde Anna.
“Of je doet alsof je hem niet ziet”, zei het vrouwtje fel, “om hem dwars te zitten. In de hoop dat hij de strijd zal aangaan. Je pest, manipuleert, negeert net zolang tot hij zal reageren. Tot hij in woede uitbarst. Dat is natuurlijk makkelijker voor jou. Hij begint en jij denkt je handen in onschuld te wassen. Jij denkt dat jij het slachtoffer bent. Dat hij jou intimideert. Als ik jou was zou ik er niet vanuit gaan dat deze tactiek werkt. Je zult je lelijk branden. Je weet niet uit welk hout hij gesneden is met die onzin over zijn ziel is mijn ziel. Je kent hem niet eens. Hij is gewoon een persoon die je tegen bent gekomen. Nu projecteer je op hem een heel karmisch verleden, omdat je wilt dat jouw leven zin heeft. Hij heeft er niets mee te maken. Hij is een onschuldige voorbijganger. Laat hem met rust en zoek een hobby!”
Het vrouwtje zuchtte eens. Na een korte stilte zei ze iets vriendelijker: “Ik zal je een manier leren om hem los te laten. Heb je weleens gemediteerd?”
Het vrouwtje vertelde haar een simpele oefening die ze kon doen als ze alleen was en zich weer bekneld voelde door zwarte gedachten.
Terwijl ze terugliep naar haar auto, zag ze de hagedis weer die zijn weg gevonden had naar God. Nu lagen er nog resten van wat ooit zijn lichaam was geweest. Opeens werd het Anna duidelijk. De man – de relatie – was geen einddoel, het was een middel om te kunnen groeien. Om bij het Zelf te komen. Het vrouwtje had gelijk: hij was een voorbijgaande factor. Het begrip Tweelingziel behoorde tot het land der fabelen. Er was geen andere helft van haar die hier op aarde rondliep. Volmaaktheid zat in het Zelf. Het kon zijn dat ze iemand ontmoette die haar een duw zou geven. Maar om haar eigen volmaaktheid te vinden moest zelf de verantwoordelijkheid nemen. Het had geen zin om te wachten tot hij haar problemen zou oplossen.
© Koningin der Decadentie